De Samenkomst Boodschapsgemeente


William Paul Branham

Geboren: 13 september 1935
Woonplaats: Sellersburg, Indiana
Oudste zoon, reisgezel, en beste vriend. Het was zijn taak om te voorzien in de fysische en emotionele steun die zijn vader nodig had tijdens de lange weken van de campagnes.

Mijn moeder was van Duitse afkomst; haar meisjesnaam was Brumbauch. Voor ik geboren was, wou ze me Henry noemen met de verkleinnaam Heine. Vader, Iers zijnde, wou me Michael noemen. Maar Vader vertelde de geschiedenis van mijn geboorte: “In het ziekenhuis, toen ik hem hoorde schreien, zei Hij me dat zijn naam William Paul zou zijn, zo noemde ik hem William Paul: William, naar mij, en Paul, naar de apostel Paulus.” Meestal noemde hij me Billy, maar occasioneel zou hij me ook Heine noemen. Misschien was dat toen hij aan mijn moeder dacht, of omdat ik iets gedaan had dat hem aan haar herinnerde.

Een van de meest belangrijke ogenblikken uit mijn leven gebeurden toen ik pas 11 jaar was, en ik de Engel van de Heer mocht zien wanneer hij mijn pa bezocht op een avond in Vandalia, Illinois. Het veranderde mijn leven, en vanaf dan wist ik dat mijn plaats naast mijn vader was, als helper, een beschermer, en een metgezel.

Toen ik 14 jaar was begonnen we samen te reizen, en ik gaf mijn eerste gebedskaart uit in Phoenix in 1949. Tijdens de grote Afrika campagne, was het mijn 16de verjaardag en op mijn 17de verliet ik de school om met hem naar India te gaan. Van toen af aan, was ik altijd aan zijn zijde toen hij reisde.

Voor ik gered was, hield ik ervan kaart te spelen en te gokken. Soms, kon ik de ganse nacht kaartspelen, en ik was goed genoeg dat ik in sommige grote spelen kon meespelen. Op een avond hoorde ik dat er een groot pokerspel naar de stad kwam. Een groep spelers kwam van Chicago voor dit spel, en er zou een hele hoop geld mee gemoeid zijn. Dit alles was natuurlijk helemaal illegaal, en toen ik achteraan in de zaal ging waar ze aan het spelen waren, was er een wachter aan elke deur, die uitkeek voor de politie.

Normaal, kende iedereen elkaar, maar die avond was er een nieuwe verdeler aan de tafel, en hij zei me: “Dit is een gesloten pokerspel.” Ik zei: “Ik speel hier altijd.” Hij zei: “Neen, dit is een gesloten spel, je kunt nu niet spelen.” De eigenaar van de plaats zei: “Oh, hij is in orde. Hij speelt altijd. Dat is de zoon van Eerwaarde Branham.” De verdeler zei: “Oh, jij bent Eerwaarde Branhams jongen?” Oh, ik zei: “Neen.” Maar de eigenaar antwoordde en zei: “Jawel, dat is hij.” Ik zei: “Neen, Eerwaarde Branham zou geen zoon hebben als ik.” Ik kon de gedachte niet verdragen hem te vereenzelvigen met die knoeiboel waarmee ik verbonden was.

In die tijd ging ik niet regelmatig naar de kerk omdat ik me schaamde over mijn leven. In plaats daarvan, zou ik aan de overkant van de straat zitten aan oom Doc’s huis. Op een avond ging ik naar de kerk en zat op de laatste rij. Vader kwam uit om te prediken en ik weet niet of hij me zag, maar het maakte geen enkel verschil. Hij nam zijn tekst over de terugkeer van de verloren zoon. Daar was hij, vertellend over de jongen die van God weggegaan was, en hoe zijn vader opkeek en hem zag en zei: “Ga het gemeste kalf halen en het beste kleed, mijn jongen komt thuis vanavond.” Oh! De Heer sprak tot mij, maar ik weerstond de Geest uit alle macht. Enkele diakenen die achteraan stonden begonnen me aan te moedigen om naar het altaar te gaan. Ik maakte er geen scene van, maar ik wou hun aandacht niet, dus stond ik op en ging weg.

Ik woonde bij mijn grootmoeder, en enkele dagen later, belde vader me op en zei: “De vis is aan het bijten; ik kom langs om je op te halen.” Toen we begonnen te vissen, stonden we nogal uit elkaar, maar traagjes begon hij nader te komen, en nog een beetje dichter. Tenslotte, stond hij vlak naast mij, en hij zei: “Pa was blij je te zien in de kerk zondagavond. Ik hoop dat je niet denkt dat ik die boodschap predikte omdat jij er was.” Ik zei: “Nee, ik weet dat je dat niet zou doen.” Hij zei: “De Here plaatste die boodschap op mijn hart enkele weken geleden. Ik zag de broeders naar je toekomen en met je spreken. Ik wil dat je weet dat ik hen in mijn kantoor riep toen je weggegaan was en hen gezegd heb: “Ik waardeer dat je een last hebt voor Billy. Stop nooit om voor hem te bidden, maar doe dit nooit meer met mijn jongen. God werkt zo niet. Hij werkt aan beide kanten terzelfdertijd.” Niet lang hierna, gaf ik mijn leven aan de Heer.

Terugkijkend, kan ik zien dat de relatie tussen Pa en mij uniek en formidabel was. Toen ik van God was weggegaan, zei hij me: “Het maakt niet uit hoe slecht je denkt dat het is, het maakt niet uit hoe diep je in zonde gaat, ik zal altijd je vader zijn en altijd je makker. Maar ik zal met jouw zondig leven nooit een compromis sluiten. Als je daarbuiten bent en je makkers laten je vallen, herinner je, pa zal er altijd voor je zijn.” Dat is de wijze waarop hij was. Ik kan zelfs niet beginnen om te beschrijven welk respect ik voor hem had, niet alleen als een dienaar van het Evangelie en als Gods profeet, maar ook als een vader en als een man, hij was buitengewoon.

Ik kende hem van binnen en van buiten, zijn stemmingen en zijn bewegingen, zijn stiltes en zijn uitdrukkingen. Maar er was iets wat ik nooit kon zeggen. Ik zeg dit voor de Heer, ik kon nooit, nooit zeggen, dat er een verschil was in de wijze waarop hij zijn vijanden en zijn vrienden behandelde. Hij behandelde iedereen gelijk, met respect, begrip, en vriendelijkheid. Ik denk dat dit een reden is dat al die nonsens, gevechten, en scheidingen die we onder elkaar hebben vandaag, me gewoon doden.

Het spijt me, maar die Boodschap is LIEFDE, en dat is wat hij had.

De buitengewone en miraculeuze dingen waarvan ik getuige was tijdens de 14 jaar dat ik mijn vader vergezelde, zouden volumes vullen indien ze zouden geschreven worden. Ik zag nieuwe ogen geschapen worden en honderden schele ogen hersteld; ledematen werden gerecht en mensen die jaren niet konden lopen kwamen uit hun rolstoelen en van hun veldbedden af.

Er waren ook momenten waarop oordeel werd uitgesproken. Ik vergeet nooit die keer toen pa sprak in een openlucht stadium, tijdens de dienst sprong een man op en schreeuwde: “William Branham, door welke naam doet je dit?” En pa antwoordde: “In de Naam waarover je niet veel weet, de Heer Jezus Christus.” Die man viel dood neer, waar hij stond. Dat was natuurlijk mijn pa niet, het was de Heilige Geest die door hem heen werkte.

Mensen vragen me dikwijls hoe het was om in een gebedsrij te zijn, en daar te staan, avond na avond, vlak daar naast die Vuurkolom, en van dichtbij al die mensen ogenblikkelijk genezen te zien. Ik wist dat als vader voor iemand bad, alles voorbij was. Het was niet zoiets als wel…of… ze zullen misschien beter worden… Als je in die Tegenwoordigheid was, en de Engel des Heren bewoog zich naar beneden, het maakte niet uit wat er verkeerd met je was, het was over. Je kon het podium verlaten precies in de toestand als voorheen, maar in die Tegenwoordigheid, kon niets zijn gebed weerstaan. Hij zei: “Als ik bid voor iemand, dan moeten ze genezen. Ik zeg dit niet van Broeder Branham, maar omdat Hij zei: “Als je de mensen kunt doen geloven, zal niets je gebed weerstaan…” dus ben ik het niet, het is mijn geloof in wat Hij zei. Als ik voor je bid, moet je gezond worden.” Dat is alles wat nodig was.

Vader zei me: “Uw taak is om met de mensen te spreken en diegenen te vinden die veel geloof hebben.” Ik vroeg hem hoe ik dat zou weten, en hij zei: “Je zal het weten.” Weet je wie het meest geschikt waren om te geloven? De katholieken. Zij schijnen meer geloof te hebben dan wie dan ook. Ik weet niet hoe ik het kon zeggen, maar ik zou gewoon met iemand spreken en ik zou weten of ze eerlijk waren of niet, of hoe wanhopig ze waren om een gebedskaart te bekomen. Als ik vroeg of ze een gebedskaart nodig hadden, en ze zouden zeggen ‘Ja, doe maar, geef er me maar een’ dan zou ik er nooit een geven. Ik hield er altijd van om te zoeken naar de moeilijkste gevallen.

Soms zou vader me iets zeggen als dit: “Als je naar de samenkomst komt vanavond, kijk dan uit, want er zal daar een vrouw zijn van ongeveer 30 jaar oud” en hij beschreef de wijze waarop ze gekleed was en hoe ze eruit zag. Hij zei: “Ze zal je om een gebedskaart vragen, en zorg ervoor dat ze er een krijgt, want ze zal je vertellen dat ze maagproblemen heeft maar dat is niet wat het is. Ze weet het niet, maar ze heeft kanker, en als ik niet voor haar bid zal ze sterven.” Ik vroeg me af waarom God haar niet direct genas?

Toen ik die avond vertrok om gebedskaarten uit te geven, had ik een persoon in mijn gedachten en ze zou daar zijn, en een kaart vragen. Ik zou haar een kaart geven, en als het tijd was voor de gebedsrij, zou haar nummer uitgeroepen worden. Je kunt het zelf niet uitzoeken. Daar is geen wijze voor.

Tijdens de gebedsrijen, zou ik dicht bij pa staan op het podium, zodat ik hem goed in het oog kon houden. Meestal kon ik, door zijn uitdrukking of door de wijze waarop hij sprak, zien dat hij moe werd. Als ik zag dat hij zijn hand over zijn gezicht wreef, wist ik dat hij een punt had bereikt waarop hij niet meer wist of hij op het podium was of in een visioen. Dan ging ik achter hem staan, en raakte hem aan zijn zijde. Als hij mijn hand drukte met zijn arm, betekende dat: ‘Ik ben nog altijd ok. Ik weet waar ik ben.’ Als hij niet reageerde, dan stopte ik de gebedsrij, zelfs terwijl hij nog aan het spreken was. Er waren tijden dat ik hulp nodig had om hem van het podium nemen, en andere keren zou hij zo hard als hij kon verder prediken tot hij bij de auto was.

Eens in de auto zou hij zich neergooien op de zetel en zijn hoed over zijn gezicht zetten. Gewoonlijk was hij helemaal nat, bezweet. Soms begon hij te huilen en zei: “Neem me mee naar huis.” of “Breng me naar het vliegveld, ik wil naar huis. Ik wil ma zien en de kinderen.” Ik zou hem een 20 tal minuten rondrijden, en hij zou schreien om naar huis te gaan, dan zette hij zich plots recht en zei: “Is de samenkomst voorbij? Hoe is het geweest?” Dan zei ik het hem, en dan was hij in orde. Maar het was die toestand tussenin die werkelijk zwaar voor hem was.

Ik geef toe dat ik hem soms te vroeg wegnam, als we dan in de auto stapten zou hij zeggen: “Paul, je nam me te vroeg. Ik kon nog voor enkelen meer gebeden hebben.” Andere keren liet ik hem te lang, en dan zei hij: “Paul, je hebt me daar te lang laten staan vanavond. Ik zal niet in staat zijn om morgenavond een gebedsrij te hebben.” Ik probeerde eerlijk de middenweg te vinden. Ik zou vaders privé interviews weken en soms maanden op voorhand regelen. Er was altijd een wachtlijst van 500 à 600 mensen. Als iemand een fysieke nood had, plande ik een interview van vijf minuten. Als een koppel problemen had dan trok ik 15 minuten uit. Op een dag waren we in de Tabernakel en pa had zopas zijn laatste interview voor die dag beëindigd. Hij vroeg: “Is dit alles?” Ik had een moeilijke tijd omdat Loyce en ik aan het ruziën waren over iets, dus zei ik: “Nee, nog een meer.” Hij zei: “Paul, ik ben zo moe. Ik dacht dat dit de laatste was. Kan je het morgen doen?” Ik zei: “Het kan niet tot morgen wachten.” Hij zei: “Wat is het?” Ik zei: “Wel, ik ben het.” Hij stopte gewoon. Ik zei hem wat het was en hij zei: “Laat de Heilige Geest die in je woont die liefde projecteren en je zult die problemen niet meer hebben.” Hij nam zijn hoed op en ging weg.

Hij gaf je niet altijd een vlug antwoord, en het was misschien niet het antwoord waar je naar zocht. Maar als je een interview had met William Branham, en als je eerlijk was, dan zou je twee dingen doen: je hart doorzoeken en op je knieën gaan.

Pa was heel dicht bevriend met zijn broer, Howard Duffy. Ze reisden samen tot oom Howard moest stoppen met reizen vanwege de toestand van zijn hart. In 1957, was Pa aan het jagen in Idaho aan de ‘River of no return’. Oom Howard werd werkelijk ziek en de dokters zeiden dat hij niet lang meer zou leven. Ik huurde een klein vliegtuig om te vliegen over de streek waar pa vermoedelijk was. Ik liet kleine parachutes neer met briefjes eraan met de boodschap dat hij dringend thuis nodig was.

Ongeveer twee jaar hiervoor, zag pa in een visioen dat oom Howard zou sterven. Hij zei: “De Engel kwam, nam een stift, tekende een graf en zei: Dat is Howard. Hij is de volgende in de familie die moet gaan. Hij zal begraven worden tussen Humpy (zijn broer, Edward) en uw vader.” Hij ging heen en zei aan Howard dat hij de volgende was om hen te gaan, en dat hij de dingen in orde moest maken met de Heer. Al onze inspanningen om in contact te komen met pa mislukten, oom Howard stierf op 7 november. De dag voor hij stierf, bezocht Broeder Neville hem in het ziekenhuis en leidde hem tot de Heer. Pa kwam de volgende dag thuis. Toen ik hem aan de luchthaven ging ophalen, zei ik hem dat ik mijn best had gedaan om met hem in contact te komen. Hij zei: “Howard had zoveel geloof in mij, dat ik weg moest zijn zodat het visioen kon worden vervuld.”

We gingen naar het funerarium en gingen tot bij de kist. Pa vroeg aan Howards vrouw waar ze hem zou begraven en ze zei: “Ik zal hem begraven in New Albany op het militaire kerkhof.” Hij is zeeman geweest. Vader zei: “Oh, Howard zou dat gewild hebben. Hij was er trots op zeeman te zijn.” De Heer had hem al gezegd dat Howard zou begraven worden op het oostelijk kerkhof van Jeffersonville. Als ik het zou geweest zijn, dan zou ik direct geargumenteerd hebben en gezegd hebben: “Neen, het moet zo zijn om het visioen te vervullen.” Maar voor pa was er niets om zich druk over te maken. Hij wist de uitkomst, zo hij behield gewoon de rust. Die avond, ongeveer een uur voor de sluitingstijd van het funerarium, zei Mr.Coots, de begrafenisondernemer, dat hij ons wilde spreken. Hij zei: “We hebben zopas bericht gekregen van New Albany dat ze Howard daar niet kunnen begraven. Zijn militaire papieren toonden dat hij om medische redenen werd ontslagen en we hebben die documenten nodig van Washington D.C. en de kantoren zijn daar vanavond gesloten. Ze zijn ook morgen, zaterdag en zondag gesloten. Maandag is er een vakantiedag, Veteranendag. De enige plaats om hem te begraven is op het oostelijk kerkhof, in het grafdeel tussen zijn vader en zijn broer.” Het was precies wat de Engel aan pa gezegd had.

Oom Howard zei eens aan pa en ik: “Als ik er niet meer ben en jij en Billy zijn onderweg, stop dan, eet een steak à l’os, en denk aan Duffy.” Nadat hij was heengegaan, waren we soms weken onderweg, we waren moe en hadden heimwee, dan stapten we een restaurant binnen om te eten en pa zou zeggen: ‘Ik bestel vanavond’ Dan wist ik precies wat we zouden eten.

In Tuscon had ik een kamer aan de achterkant van mijn huis die ik gebruikte als kantoor. We ontvingen elke week honderden brieven, ik zou ze allemaal lezen en een groot deel zelf beantwoorden. Maar als er een vraag was, wou pa niet dat ik die beantwoordde. Hij antwoordde zelf.

Op een dag waren we in het kantoor en pa en ik namen de briefwisseling door. Mijn zoon Paul – nog een kleine dreumes, ongeveer twee jaar – bleef maar komen en trok aan opa’s been, hij wou dat hij met hem speelde. Paul was zijn trots en vreugde en elke keer als hij de kans ertoe kreeg nam pa wat ‘speeltijd’ met hem. Deze keer zei hij hem: “Als je papa en ik met de briefwisseling klaar zijn, komt opa met je in de tuin spelen.” We werkten een beetje door, en Paul kwam weer binnen, en opnieuw zei pa hem dat we bezig waren, maar dat ze wat later samen zouden spelen. De derde keer dat hij ons kwam onderbreken sloeg ik hem met de palm van mijn hand op zijn bips, en hij viel op de vloer. Het was zeker vaders gewoonte niet zich ermee te bemoeien als Paul terecht gewezen werd, maar deze keer ging hij ernaar toe, nam hem op en begon hem te troosten. Hij zei: “Opa zei dat hij met je zou spelen als hij klaar was, maar nu kan hij niet.” Paul keek mij een beetje raar aan en zei: ‘Oké’ en hij ging naar de andere kamer. Dan keek pa naar me en zei: “Stop die schrijfmachine.” Ik deed het. Hij zei: “Paul, ik weet dat je je kinderen wilt terechtwijzen, maar je deed dit verkeerd.” Ik zei: “Neen, dat deed ik niet. Ik heb het hem vele keren gezegd, en hij was gewoon stout.” Hij schudde zijn hoofd en zei: “Een kind heeft een speciale Engel bij zich, en het is zo ook met een persoon die mentaal ziek is, of kreupel en voor zichzelf niet kan zorgen. Die Engel blijft altijd bij hen en beschermt hen. Als je Paul sloeg, was je echt toornig. Ten eerste, dat is de verkeerde wijze om een kind terecht te wijzen. Ten tweede, je sloeg niet alleen het kind, je sloeg de Engel. Doe dit nooit meer. Je moet hen terecht wijzen, maar doe het in liefde en niet op een dergelijk wijze. Anders, beledig je zijn Engel.” Hij zei ook dat we allemaal een Engel bij ons hebben, en ze verlaten onze zijde niet. Maar met een kind of een mentaal gehandicapte persoon, heeft de Engel een grotere of completere controle over hun levens. Ik heb dit onthouden, en lette van toen af aan op mezelf als het nodig was om ze te corrigeren.

In vaders leven was het altijd eerst de Heer, dan de mensen, dan zijn familie, en dan zichzelf. Het was zo in elke situatie. Ik denk dat het voor hem soms moeilijk was om de echtgenoot, de vader, de grootvader, en zo verder te scheiden van zijn bediening en zijn verantwoordelijkheid van die bediening.

Net zoals bij die gebeurtenis in Californië, die ik ‘Het pruik incident’ noem. Het was 8 februari 1964 en we waren in Bakersfield. Pa, Broeder Roy Borders en ik maakten ons klaar om te gaan eten, en ik ging en klopte op vaders deur om te zien of hij klaar was om naar buiten te komen. Toen hij de deur opendeed, droeg hij een pruikje. Ik zei nogal komisch: “Wat heb je daar op?” Hij zei: “t Is een pruikje” Ik zei: “Dat ga je toch niet in de kerk dragen” Hij zei: “Jawel” Ik zei: “Nee, dat doe je toch niet, en als je het doet, dan ga ik niet” Hij zei: “Ja, ik doe het” Ik zei: “Als je het doet, dan ga ik naar beneden en haal me een Beatle pruik om te dragen” Ik bedoelde er eigenlijk niets mee, ik dacht dat we elkaar aan het plagen waren, maar hij keek me aan en zei: “Ga maar en eet met Broeder Borders. Pa heeft geen honger” Op dat moment wist ik dat ik hem gekwetst had. Ik zei: “Nee, kom op pa. Laten we samen gaan eten” Maar hij zei: “Nee, ga maar eten” Dus gingen Broeder Roy en ik weg, maar ik had moeite om te eten. Als we klaar waren, ging ik terug om pa te zien. Ik zei hem: “Pa, ik kom me verontschuldigen voor wat ik zei over dat pruikje. Het is gewoon dat het bij jou niet paste, excuseer me dat ik u kwetste” Hij zei: “Zet je neer Billy” Ik wist dat ik in moeilijkheden was. Hij zei: “Denk je dat dit je pa kon kwetsen?” Ik zei: “Ja pa, ik kwetste je.” Hij zei: “Nee, je kwetste mij niet, maar je weet niet wat het betekent” en hij wees naar zijn haarstukje.

Dan herinnerde hij mij aan een diaken die vroeger naar de Tabernakel kwam. Op een dag kwam hij na de dienst naar pa en zei: “Ik schaam me over u Broeder Branham.” Pa vroeg: “Wat bedoel je?” Hij zei: “Omdat je een bril draagt” Pa zei: “Ik moet hem dragen om mijn Bijbel te lezen.” De broeder zei: “Je predikt Goddelijke genezing en je draagt een bril? Ik ben beschaamd in je plaats.” Dan zei pa me: “Herinner je je hoe ik probeerde hem van me weg te houden, en hoe jij probeerde dat hij mij met rust zou laten? Maar die broeder bleef gewoon doorgaan, en enkele dagen later, hebben we hem begraven. Hij had teveel gezegd. Hier is het hetzelfde. Je kon je pa niet kwetsen, zie je, maar je weet niet wat dit haarstukje betekent. Als ik toen niet van je weggegaan was, dan zou je teveel gezegd hebben.” Het is belangrijk dat we onthouden hoe vlug en onbedacht we de Heilige Geest kunnen beledigen.

Toen vader heengegaan was, zei moeder me: “In zeker opzicht was je dichter bij hem dan ik was. Er was bijna geen dag in je leven dat je niet bij hem was, in de samenkomsten, op jacht of samen werkend in het kantoor”.

Dat was mijn leven. Ik heb mijn vrouw lief en mijn kinderen, maar de bediening ging altijd eerst. Mijn leven was de Heer te dienen, en ik deed het door mijn pa te dienen.

Voor mij, leek William Branham zo op Jezus, dat je Jezus kon zien door hem heen. Dat is wat de wereld niet kan zien en wat wij, als volgers van die Boodschap wel zien. Er is een groep die te ver ging die kant op, en er is een andere groep die niet ver genoeg ging, maar in het midden, daar was het Hebreeën 13:8.