De Samenkomst Boodschapsgemeente


Vernon Mann

Geboren: 21 juni 1923
Woonplaats: Tuscon, Arizona
Een diaken en assistent voorganger in de Branham Tabernakel. Een onverwachte uitnodiging gaf hem een plaats om op de eerste rij een wonderbaarlijke handeling van God te zien.

Mijn broer en zijn vrouw werkten op defensie, ten oosten van Jeffersonville, Indiana, in 1947. Hij vertelde me over een prediker genaamd William Branham die de mensen kon vertellen wat er verkeerd met hen was, dan bad hij ervoor en ze werden gezond. Ik vroeg: “Hoe denk je dat hij dat doet?” Hij zei: “Ik weet het niet.” Zo liet ik het aan mij voorbijgaan en gaf er geen aandacht meer aan. Ik deed andere dingen. In 1950, werden mijn vrouw Georgia, en ik gered in de samenkomsten van evangelist Jack Schuller, we begonnen naar de hoofdstraat Methodisten kerk te gaan in New Albany, Indiana. De naam van onze voorganger was Broeder Lim Johnson. Omtrent dezelfde tijd kreeg Georgia’s tante het boek in handen ‘Een man van God gezonden’  van Gordon Lindsay. We bezochten haar bij haar thuis voor een maaltijd en al wat ik wou doen was zitten en lezen. Carl Wheeler, een familielid en buurman van mij, was daar ook, en zo las ik voor een tijdje, dan nam hij het en las een tijdje. We werden zo geestdriftig, en in mei gingen we voor het eerst naar de Branham Tabernakel. In 1952, en opnieuw in 1953, nodigde onze voorganger, Broeder Lim (op de band noemt Broeder Branham hem ‘Broeder Lum’) Broeder Branham uit om diensten te hebben in Main Street Methodistenkerk. De predikingen werden niet opgenomen, maar ik herinner me op een avond dat hij een prediking bracht getiteld: ‘Gebruik wat je in je hand hebt en veeg de duivel weg.’  Hij sprak over Shamgar met de geit, Samson met de ezelskaak, en David met zijn slinger en vijf keien. Het was prachtig. Op een avond was de gemeente zo volgepakt met mensen dat Broeder Branham niet via de deur kon binnenkomen. Hij moest via het kelderraam naar binnenkruipen om dan via de trappen naar de kansel te komen.

In 1954 waren we in de dienst in de Tabernakel en Broeder Branham vroeg dezen die wilden gedoopt worden naar voren te komen. Mijn zitplaats werd zo heet dat ik niet meer kon blijven zitten; ik moest opstaan. Op diezelfde avond werden ik en Broeder Orman Neville (die later voorganger zou worden van de Tabernakel) gedoopt. Nadat ik gedoopt was, ben ik geleidelijk uit de Methodisten kerk gegaan en we startten een kleine zending in Albany. We noemden onszelf ‘Evangelische Methodisten’ en we doopten in de Naam van de Here Jezus Christus, blijkbaar had de Methodistenkerk geen controle over ons. Er kwamen ongeveer een 30 tal personen, maar wanneer Broeder Branham in de Tabernakel was, werden onze samenkomsten afgelast, en iedereen van ons wilde naar hem gaan luisteren. In december 1962, net nadat Broeder Branham ‘Heren, is dit de tijd?’ gepredikt had, sloten we de deuren van de zending voorgoed, zodat we regelmatig naar de Tabernakel konden gaan. We wilden niets meer missen.

Broeder Branham was altijd nauw bevriend met Broeder en Zuster George Wright, en hij sprak vele keren over hun kinderen – broeder Shelby, zuster Hattie, en zuster Edith. In 1955, op Edith’s verjaardag, ging ik naar het huis van de Wrights. Broeder Branham was daar, samen met Broeder Banks Wood en Broeder Junior Jackson. Ze waren allen klaar met eten, en de vaat was klaar. Zuster Wright had een laken over de vaat gelegd, zoals de ouderen vroeger deden. Broeder Branham zat daar en sprak met Edith voor een tijdje, en dan sprak hij met de rest van ons. Kleine Edith, armen en benen zeer kreupel rond haar lichaam, had zelfs nog geen rolstoel. Ze hadden een wagentje dat leek op een boodschappenwagentje met vulling erin om haar rond te voeren; anders, zat ze meestal op een grote stoel. De Wright’s hadden een zeer eenvoudige plattelands woning. Ze hadden geen stromend water, je moest een emmer nemen en beneden naar de bron gaan en hem terugbrengen. En terwijl ik daar zat begon ik te denken: “lieve hemel, die man is naar India geweest, Europa, Zuid-Afrika, en al die andere plaatsen; hij spreekt over de koning van Engeland, de Burgemeester van Durban, de Congresman van de Verenigde Staten, en dan komt hij tot een kleine plaats zoals deze om onder de vrienden te zijn!”

Als we alleen maar een klein beetje van die geest in ons konden krijgen en een beetje vriendelijker worden, hoeveel verder zouden we gekomen zijn. Ik heb een uitdrukking om hem te beschrijven. Ik heb niet de bedoeling hem te degraderen, maar ik noem hem altijd ‘man van de kleine gewone mensen’. Als je denkt aan Broeder George Wright en de anderen, wat wereldse goederen betreft hebben ze niet veel. Maar hoewel hij verbonden was met al die invloedrijke mensen, toen hij terugkwam, bleef hij nog steeds Broeder Branham. Daarom zeg ik dat hij een ‘man van de kleine gewone mensen’ was. De kleinsten betekenden voor hem evenveel als de groten.

In oktober 1963, was ik hoofdgetuige van een buitengewone ervaring die Broeder Branham had toen hij ging jagen in de bergen van Colorado. Het was door enkele ongewone omstandigheden dat ik aan die trip kon deelnemen, te beginnen met mijn zoektocht naar een oude pick-up vrachtwagen – een 1950 Chevy voor $195. Broeder Carl Wheeler was uitgenodigd door Broeder Banks Wood om hem en zijn zoon, David, te vergezellen met Broeder Welch Evans en zijn zoon Ronnie, om te jagen op hert en eland nabij Kremmling, Colorado. Eenmaal daar aangekomen, zouden Broeder Branham en Broeder Billy Paul die van Tuscon kwamen, zich bij hen voegen. Ik had die oude pick-up gekocht, zo vertelde ik Broeder Carl dat ik hem met zijn volledige uitrusting naar Broeder Wood’s huis zou brengen, vanwaar ze de 16de ’s morgens zouden vertrekken. Toen we daar aankwamen, zei Broeder Wood me: “Broeder Mann, we hebben een extra vrachtwagen nodig. Waarom ga je niet met ons mee?” Eerst weigerde ik, geen groot jager zijnde, maar Broeder Wood vroeg het verschillende keren en tenslotte zei ik ja, zelfs niet gelovend dat ik op jacht zou gaan met Broeder Branham. Ik had maar enkele minuten om alles samen te rapen, dus liep ik naar huis greep een lege twintig liter blikken doos, en pakte mijn kleren erin. Ik was geen jager dus nam ik mijn visgerief mee in plaats van een geweer, en tenslotte, gooide ik er een slaapzak bij die ik in de K-Mart had gekocht voor $9,95. Toen haastte ik me naar Broeder Wood en algauw waren we met zijn zessen onderweg.

Kremmling was slechts enkele winkels – een grootwarenhuis en een benzine station – en een straat die 60 meter breed was, maar het leek erop of ze vergeten waren er huizen langs te plaatsen! We gingen binnen om wat eetwaren te kopen, en toen we buiten kwamen zagen we Broeder Branham en Billy Paul op straat naar ons toekomen. Vlug hierna reden we naar de bergen waar we een kamp opsloegen. Toen het kamp opgeslagen was, sprak Broeder Branham met ons over veiligheid en sportiviteit. Hij wou niet dat er ongevallen zouden gebeuren. Beneden de berg, ongeveer 1,5 km verder, waren andere broeders aan het kamperen. Iedereen toonde hem hun geweren, en toen het mijn beurt was, zei ik: “Wel, ik ben anders, ik bracht mijn vislijn mee.” Hij zei: “Oh, Broeder Mann, dat is goed. Ik weet waar je ze kunt pakken.” Hij zei: “Ga naar Wheatly Creek en daar zijn kleine bever dammen waar je forel kunt pakken, maar laat je niet zien. Blijf achter die wilgachtige struiken en gooi erover.” De volgende dag ging ik daarheen en ze waren er waar hij gezegd had waar ze zouden zijn. Ik pakte er zeven of acht die dag. Ik dacht dat het een goede start was, maar de volgende dag was het zo koud geworden dat zelfs de beverdam dichtgevroren was. Tegen de maandag, daalde de temperatuur nog meer, en tegen dinsdagavond moest het bij de nul graden geweest zijn. Broeder Carl en ik leerden een waardevolle les die avond: Koop geen goedkope slaapzak. De volgende morgen ging ik naar de kleine kreek om een emmer water te halen en ik moest het ijs breken. Voor ik aan het kamp terug was, was het water bevroren in de emmer. Een politieman (ranger) kwam ons vertellen dat er storm op komst was en dat we moesten voorbereid zijn, zo riep Broeder Branham iedereen samen en vroeg wat we wilden doen. De beslissing was unaniem: Blijven.

Broeder Branham en ik keerden terug naar Kremmling om nog meer eetwaar op te slaan, en ook wou hij Zuster Branham bellen omdat het haar verjaardag was. De volgende morgen waarschuwde hij iedereen: “Het ziet er naar uit alsof het vandaag zal stormen. Als het begint te sneeuwen of regenen of hagelen, kom je terug naar het kamp, zo vlug als je kan. De wind zal die sneeuw rondzwieren en je zult verward zijn en niet meer weten waar je bent.” Ze zeiden dat ze het zouden doen, dan vertrok iedereen in een andere richting. Broeder Branham ging richting Corral Peaks, en ik ging een beetje de berg op waar het kamp was.

Rond half negen, kon je zien dat het begon te stormen. Donkere wolken, de donkerste die ik ooit gezien heb, hingen laag en vlug begon de hagel, gedreven door sterke wind, te vallen. Getrouw aan hun belofte, kwamen de jagers terug binnen, iedereen behalve Broeder Branham. We wachtten ongeveer 30 minuten, maar voor we ons zorgen konden maken over zijn afwezigheid, rees de zon en het werd opnieuw een mooie dag. Rond 11 uur, kwam Broeder Branham uit het bos gewandeld. Hij had een glimlach op zijn gezicht en vertelde ons: “Nu is er iets gebeurd dat ik mij mijn hele leven al heb afgevraagd.” Toen we hem begonnen te ondervragen, schudde hij zijn hoofd en zei: “Ik zal u er later over vertellen.” Zo was het, we vernamen het niet eerder dan op 10 november in Jeffersonville, toen hij predikte: ‘Hij die in u is.’ Daar op die berg, had de God van de Schepping Broeder Branham opgedragen om de storm te bestraffen, zodat Hij zich kon verheugen in de gemeenschap met Zijn profeet als Hij samen met hem door de wildernis wandelde.

Toen Broeder Capps stopte als hulpprediker van de Tabernakel, vroegen de diakenen me om zijn plaats in te nemen, ik zei hen dat ik mijn best zou doen. Ik hielp om de dienst te openen, sporadisch was ik zangleider en tot 1970 deed ik de zondagschool. Sommige mensen vroegen me of ik bang was om te helpen in de diensten in de Tabernakel toen Broeder Branham daar was. Wel, ik was helemaal niet bevreesd, omdat hij u altijd op uw gemak stelde. Hij begroette u zo vriendelijk, en zei: “God zegen u.” Weet je, als ik een katholieke priester zou zijn of een straatloper denk ik dat hij me op dezelfde wijze zou begroet hebben. Hij was zo. Uw sociale toestand telde niet voor hem, omdat er bij Broeder Branham geen ‘grote ik’ of een ‘kleine u’ was. Als iedereen eerlijk wil zijn, denk ik dat niemand zich ooit vreemd voelde bij hem. Ik bemerkte dat Broeder Branham enkele van dezelfde trekken had die Jezus had. Hij was zo eenvoudig. We moesten het woordenboek niet bovenhalen en zoeken wat hij aan het zeggen was, omdat de wijze dat het gezegd was zo eenvoudig was.

Ze hebben er vandaag een hoop verwarringen aan toegevoegd. Die zeggen: ‘hij bedoelt dit, dat, of iets anders.’ Neem het zoals het gezegd is.

De dag na het ongeval in Amarillo was een zondag, we gingen naar de kerk. Het was nogal een ernstige dienst. Iedereen bad, niemand had veel te zeggen. We geloofden dat alles goed zou komen. Broeder Hickerson, Broeder Wheeler en ik besloten om naar Amarillo te gaan, we vertrokken de maandagmorgen en reden rechtstreeks door. Toen we dinsdagmorgen aankwamen, ontmoetten we Broeder Billy Paul en Zuster Loyce in het motel. De situatie was ernstig. We gingen naar de garage waar ze Broeder Branhams stationwagen naartoe gesleept hadden en de politieagenten waren daar die aan het wrak gewerkt hadden. Ze zeiden: “Hij is een zeer ongewone persoon. Hij zat zo in dat wrak gewrongen dat we hem moeilijk eruit kregen. Als we aan het werken waren om hem vrij te krijgen, deden we iets dat hem kwetste en hij riep het uit van de pijn, dan draaide hij zich naar ons en zei: ‘Sorry.’ Hij verontschuldigde zich daarvoor.”

In het ziekenhuis waren we wel met 40, en we bleven meestal in de kelderverdieping.

Elke drie uur konden enkelen naar boven gaan en de kamer bezoeken. Ik ging ook een keer. Met kerstavond ging hij heen, het was een vrijdagnamiddag rond 17u29. Broeder Perry Green kwam en vroeg enkelen van ons om mee naar boven te gaan. Broeder Wheeler, Broeder Hickerson, Broeder Evans, Broeder Blair, Broeder John Martin, Broeder Earl Martin en ikzelf. We verzamelden ons rond het bed en zongen: ‘Geloven alleen’ Dan gingen we weg.

Daar op het kerkhof waar hij begraven is, is het een unieke plaats. Moest je een blik vanuit de lucht kunnen nemen, dan zou je kunnen zien dat er daar een oude weg loopt oostwaarts en westwaarts, en een andere die kruist gaat noordwaarts en zuidwaarts. Precies in het midden, waar het een kruis vormt, is het waar hij begraven ligt. Het is als een precies passend ding.