De Samenkomst Boodschapsgemeente


Pauline Palmer

Geboren: 23 april 1924
Woonplaats: Byron, Georgia
De samenkomsten die haar man, Jack, sponsorde in Macon, Georgia, waren het keerpunt voor velen die William Branham als een profeet van God begonnen te erkennen. Jack Palmer ging heen op 29 juli 2005.

We gingen naar een ‘Heiligheids gemeente’ in 1951, maar we waren daar niet tevreden. Mijn man, Jack, belde Broeder Moore’s gemeente in Shreveport en kwam erachter dat Broeder Branham daar zou zijn in de diensten, en hij en mijn neef besloten te gaan en te kijken wat het was. Jack was vertrouwd met de diensten van Oral Roberts waar elke avond een 500 tal mensen door de gebedsrij gingen, en wanneer Broeder Branham bad voor slechts 15 mensen, kon hij het niet begrijpen. (Natuurlijk deed hij dat later wel) Maar terwijl hij in die dienst in Shreveport zat, sprak een stem zo duidelijk tot hem en zei: “Zoon, je ziet het echte.” Jack kwam thuis en zei dat we uit de denominatie gingen, dat was de start om naar de samenkomsten van Broeder Branham te gaan.

In 1953 reisden we naar Tallahassee, Florida, om een campagne bij te wonen. Er was een koppel met hun klein meisje met ons, en we hadden een trip gepland in de hoofdstad, maar op het laatste ogenblik veranderden we van mening en beslisten te gaan winkelen tot het tijd was voor de dienst. We liepen de straat langs, en in het eerste blok was er een christelijke boekenwinkel met veel mooie schilderijen. Toen we de schilderijen aan het bewonderen waren keek ik op en ik zei: “Broeder en Zuster Branham!” Hij stopte eerst bij de kinderen, schudde hun hand en zei dat hij hoopte dat ze zendelingen zouden worden. Daarna, gewoon langs de straat, sprak hij meer dan een uur met ons. Jack nodigde hem uit om naar Macon te komen voor een samenkomst en hij zei dat hij het fijn vond om te komen.

We gingen vroeg naar de samenkomst en zaten vooraan. Toen Broeder Branham naar de kansel kwam keek hij naar Jack en zei: ‘Sprak Mr. Baxter met u?’ Jack schudde met zijn hoofd ‘neen’. Hij draaide zich om naar Ern Baxter en zei: “Bel W.J. Palmer.” Broeder Baxter deed het, en hij en Jack regelden een dienst in Macon, maar wegens verschillende gebeurtenissen duurde het twee jaar voor het werkelijk gebeurde. Toen Broeder Branham in 1955 naar Macon kwam, was het droog zoals het nu is. Hij reed naar het platteland en zag hoe de oogst verdroogd was en hoe alles stervende was bij gebrek aan regen. Hij bad voor regen. Het begon direct te regenen. De diensten werden gehouden in een open stadium, maar de regen bleek geen hinderpaal voor de grote menigte die gekomen was. Ze kwamen met regenjassen en handdoeken om de zetels te drogen, maar voor de dienst begon, stopte de regen. Ik herinner me een meisje dat polio had. Haar papa bracht haar binnen en ik zag hem neerknielen en de beugels van haar benen wegnemen. Hij legde ze naast haar neer en bleef de hele dienst geknield. Op het moment dat Broeder Branham het podium verliet, keek hij naar het meisje en zei: “Lieveling, wil je genezen worden?” Ze zei: “Ja, mijnheer.” Hij zei haar daaruit te stappen en ze deed het.

De laatste avonddienst, was ik in de gebedsrij voor mijn zoon, Byron, en Broeder Branham zei me dat hij een kleine krullenbol zag (Byron was een echte krullenbol toen hij klein was). Hij bad voor hem, en hij werd genezen van de Brights ziekte (een soort nierziekte) die hij al zes maanden had. Nadien brachten we Byron naar de dokter en hij zei dat hij in orde was. Zelfs in de Mayo kliniek hadden ze ons gezegd dat ze niets voor hem konden doen.

Vanaf 1956, kochten we Broeder Branham elk jaar een nieuw pak. Het pak dat we voor hem kochten in 1960, voor hij naar Kingston, Jamaica, ging was echt mooi. Nadien ontmoetten we hem en Zuster Branham en hij zei ons dat hij dat pak elke avond voor die tien diensten gedragen had. Hij zei: “Ik trok dat pak uit en ik kon het uitwringen van het zweet en ik hing het op. De volgende avond trok ik het opnieuw aan en niemand wist dat ik geen vers gestoomd pak aan had.” Zuster Meda zei: “Bill, je droeg het toch niet elke avond!” Hij zei: “Ja, ik droeg het elke dag, gedurende 10 dagen!” Broeder Billy Paul wilde er ook zo een omdat het zo’n mooie stof was, we bestelden er een voor hem, maar we vonden dezelfde stof niet meer. We dachten dat die stof misschien alleen maar gemaakt was voor de profeet.

In 1959, riep hij me uit in de gebedsrij. Zuster Fritzinger en ik spraken erover die morgen toen we in de rij stonden te wachten voor de kerk geopend werd. Ze had een leverprobleem dat werkelijk erg was. Tijdens de gebedsrij riep Broeder Branham me eruit en ik was genezen van een galblaas probleem dat ik al zes jaar had. Dan zei hij dat het Licht dat over mij was overging op Zuster Fritzinger, die naast me zat. Zij werd genezen van haar probleem en ik werd genezen van het mijne. Het was gewoon heerlijk dat het allemaal in één dienst gebeurde.

Jack was 16 jaar erg ziek, een zenuwachtige maag. Het werd zo slecht dat hij zelfs geen baby voeding kon eten. Broeder Estle Beeler, met wie we goed bevriend waren, vernam dat Broeder Branham in de Tabernakel zou zijn voor een ongeplande dienst, Jack reed naar Jeffersonville. Hij zat midden in de gemeente, en toen Broeder Branham de gebedsrij begon zei hij: “Broeder Palmer is hier van Macon, Georgia. Broeder Palmer, geloof je dat ik Gods profeet ben? Zeker doe je dat. Die zenuwachtigheid heeft je nu verlaten; je kunt naar huis teruggaan en eten.” Hij kwam thuis en zei: “Geef me wat zwartoog erwten, ajuinen en korenbrood” Ik maakte het klaar en hij at het, en van toen af aan at hij goed.

We gingen verschillende keren naar de boerderij van Broeder George Wright, Edith, hun kreupele dochter, was erg lief. Ze kon zeggen “Pauline” niet zoals ik het doe, maar je kon haar begrijpen. Soms had ze zoveel pijn, dat ze zou zeggen: “Pauline help me.” Ik wist niets beters voor haar te doen dan voor haar te bidden. Edith’s stoel was versleten, volledig versleten. Jack en een vriend waren gestart met een herstellingsbedrijfje om wat extra geld te kunnen verdienen om naar de diensten te kunnen gaan. Toen we eens naar Jeffersonville gingen, brachten we Ediths stoel mee en ze herstelden hem werkelijk goed voor haar. Ze was er zo blij mee. Ze herstelden ook een stoel voor Broeder Branham, en ze weigerden elke betaling. Maar wanneer ze klaar waren om te vertrekken, gaf hij Jack een brief en zei: “Lees dit als je 100 mijlen van Jeffersonville bent.” Jack opende de brief toen hij op die afstand was, en daarin stak geld voor het herstellingswerk van de stoel.

Ik heb altijd gedacht dat Broeder Branhams stem veranderde wanneer hij in de gebedsrij was en onder de zalving onderscheiding had bij de mensen. Wanneer ik met hem kon spreken, vroeg ik: “Is het een andere toon wanneer het uw stem is, of wanneer Hij spreekt?” Hij zei: “Dat is juist, Zuster Palmer, het is een andere stemtoon.” We hoorden de Stem van God.

In de samenkomst zijn was als in een andere wereld te zijn. We konden niet wachten om er te zijn. Toen Broeder Branham aan het prediken was, keek iedereen met grote ogen, zich afvragend wat er straks zou geschieden. Je was onder een zodanige verwachting. Je kon werkelijk niet alles verteren, omdat het te vlug kwam. Je moest teruggaan en naar de banden luisteren.

Wij moesten 12 uur rijden om er te komen. (voor er autosnelwegen waren tussen de staten) We stonden op voor daglicht om 3 à 4 uur in de rij te gaan staan voor een zitplaats. Soms was de temperatuur beneden het vriespunt, en als je dan eindelijk binnenkon voelden je voeten voor uren bevroren. Je moest het zo doen om een zitje te hebben, omdat toen de deuren werden geopend, de Tabernakel zich gewoon vulde. Het was een goede tijd. Ik bleef eens in Jeffersonville bij de Beelers toen Broeder Branham twee weekends na elkaar diensten had. Buiten was het erg koud, ik werd ziek met een hoofdverkoudheid en verbruikte Kleenex doos na doos. Dat was de week dat kleine Paul, Broeder Branhams eerste kleinzoon geboren was: 8 november 1961. Billy Paul belde om te zeggen dat hij er was, en ik zei hem dat zodra Jack en Byron zouden komen van Georgia, we hen zouden bezoeken. De avond dat we naar het ziekenhuis gingen, stonden we door het raam te kijken naar al de baby’s en ik keek en zag een kleine man uit de hall komen. Hij liep voorover gebogen, alsof hij met twee krukken ging. Ik zei: “Kijk daar!” Iedereen keek, en het was Broeder Branham. Ons voor de gek houdend zei hij met bevende stem iets als: “Ik moet nu een oude man zijn want ik ben grootvader”. Ze vroegen me om binnen te komen om de baby te zien, maar ik wilde niet, omdat ik ziek was.

De volgende morgen toen Broeder Branham predikte, sprak hij over mij omdat ik ziek was, en hij zei: “Ze zei dat ze niet begreep hoe ik hier al die tijd in die vallei kon leven.” Ik gebruikte een halve doos Kleenex van de tijd dat we in de gemeente kwamen, maar van het moment dat hij begon te spreken over wat ik hem gezegd had, gebruikte ik geen enkel Kleenex meer gedurende de ganse dienst, en hij predikte twee en een half uur. Het was wonderbaar.

Een van de verbazende dingen die we zagen was toen Broeder Way opstond van de dood. We zaten ongeveer anderhalve meter van waar hij op de grond viel, en we zagen hoe zijn ogen zich in zijn oogkassen hadden gedraaid en hij begon blauw te worden. Zijn vrouw was een gediplomeerde verpleegster en ze zei dat hij geen polsslag meer had, en dat hij dood was. Broeder Branham stopte met prediken en bad voor hem, en kort daarop schudde Broeder Way zijn hoofd.

We gingen van Jeffersonville naar de samenkomsten in Arkansas. Op een dag waren we op restaurant met een groep gelovigen, en Broeder Way was daar ook. Toen de mensen over zijn ervaring begonnen te vragen, zei hij dat hij wrevelig was over iets dat Broeder Branham had gezegd, en dat is toen hij op de vloer viel, dood door een hartaanval. Dat was in juni 1963.

Jack had veel plezier met Broeder Branham, speciaal toen ze in 1962 met een grote groep broeders in Colorado gingen jagen. Jack was toen bijna kaal, en hij werd nogal gepest door hen die nog veel haar hadden. Op een avond rond het kampvuur zittend, luisterde Broeder Branham voor een tijdje naar hun pesterijen, dan zei hij aan Jack: “Broeder Jack het is vrouwelijk om een bos haar te hebben en mannelijk om kaal te zijn.” Hij liet ze zo ver gaan als hij wou, en sneed ze dan de pas af.

Na de Zegels, viel het ons op dat hij niet meer zoveel gekheid maakte.

Broeder Branham heeft Jack bij ons thuis aangesteld. Velen in onze buurt wilden gedoopt worden, en toen Jack hem hierover aansprak draaide hij zich om en zei: “Ik stel mijn broeder aan.” De gemeente begon hier in 1960, en van toen af was dat ons leven. Op 19 december om 2u30 ’s morgens, werden we opgebeld met het bericht dat Broeder Branham een ongeval had gehad bij Amarillo, Texas, en dat hij, Zuster Branham en Sarah ernstig gewond waren. Jack nam de eerst mogelijke vlucht. Hij zou me elke dag bellen vanuit het ziekenhuis in Amarillo.

Terwijl hij in Amarillo was, ontvingen we per post de bandopnames van de samenkomsten in Californië. Ik beluisterde ze, en ik zei aan Jack: “Op die banden predikte Broeder Branham zijn eigen begrafenisdienst.” Ik zei aan enkele mensen in de gemeente: “Ik geloof dat Broeder Branham zal sterven.” Een van de broeders vermaande mij ernstig, maar ik zei: “Wel broeder, als je deze banden beluistert, zal je hetzelfde geloven.”

De broeders in de gemeente kwamen elke avond samen om te bidden, en op een avond, toen ze in gebed waren, belde Jack dat Broeder Branham gestorven was. Hoewel ik dat gevoel had na het horen van die laatste banden, kon ik het eigenlijk niet aanvaarden toen Jack me zei dat hij heengegaan was.

Broeder Branham was zeer vriendelijk en expressief, maar rustig wanneer hij het wou. Hij zou je nooit kwetsen. Zelfs als hij je terechtwees, hij zei het met een dergelijke zachtmoedigheid. Vele keren zou hij mijn vraag beantwoorden voor ik ze stelde, en hij deed dit eveneens met vele anderen die ik ken. Toen hij met je sprak, had je het gevoel dat hij je leven kende als een boek. Hij vertelde ons eens dat hij met gelijk wie een vijftal minuten kon spreken en zeggen of ze de Heilige Geest hadden of niet.

Ik kende mensen die bijna bang waren om bij hem te zijn. Ik veronderstel dat ze schrik hadden van wat hij in hun leven zou zien, maar ik niet. Ik zei enkele zusters in de gemeente dat als er iets in mijn leven zou zijn, dan wou ik het weten. Ik was meer bevreesd dat hij iets niet zou zeggen en het laten gaan! Ik waardeerde hem en realiseerde me dat hij een profeet was. In 1959 schreef ik hem een brief en zei hem dat ik me realiseerde dat hij een profeet was.

We dachten er nooit aan dat we met de familie zouden verbonden zijn, maar ik veronderstel dat hij wist dat onze kleindochter Renell, zou huwen met zijn kleinzoon, William.