De Samenkomst Boodschapsgemeente


Joseph Coleman & Orlando Hunte

Geboren: 27 juni 1927
Woonplaats: Long Island, New York
Geboren: 3 mei 1927
Woonplaats: Bronx, New York
Leeftijdsvrienden met een roeping van God in hun hart, die ingezegend werden door William Branham. Joseph Coleman is voorganger van de Local Christian Assembly.

Joseph Coleman

Broeder Hunte en ik zijn al ons ganse leven vrienden. We zijn even oud, groeiden beiden op in Manhattan, en werden beiden gered in 1960. We bezochten een ‘Jezus Naam Pinksterkerk’ in Mount Vernon, dit is een buitenwijk, aan het einde van de Bronx. Ik was net ongeveer drie maanden gered, maar ik zag toen dat veel Bijbelse waarheden niet gevolgd werden door de groep waarbij we waren. Omdat we niet akkoord waren met de dingen die toegelaten werden, zoals vrouwen achter de kansel te laten, begon de voorganger naar mij en mijn vrouw te verwijzen in zeer kritische termen. In die tijd, was ik postbode en Broeder Hunte was een buschauffeur op de Wilson Avenue in Brooklyn. Nogal vlug begrepen we dat de Heer ons exact daar had geplaatst, zodat onze paden zich zouden kruisen met mensen die ons zouden vertellen dat er een profeet in het land was.

Orlando Hunt

Ik werkte de late ploeg die rond 1u ’s morgens eindigde, en die speciale nacht in december 1960 was een hele trage. De bus was leeg, maar op een van mijn haltes stapte een jonge dame op. Ik bemerkte dat ze een instrument bij zich had dat eruit zag als een ukelele of zoiets. Ze zette zich voorin, recht tegenover mij. De volgende halte stapte een lange kerel op, en ik herinner me dat ik tot mezelf zei: “Oh, God.” Natuurlijk kunt u zich voorstellen waar hij ging zitten. Vlak naast die dame. Ik wou geen problemen, maar ik wist dat dit potentieel een slechte situatie was. Ik was pas tot de Heer gekomen, en dus begon ik te bidden. Ik zei: “Heer neem hem van de bus af voor er een probleem is. Als hij dat meisje lastig valt, dan moet ik iets doen.” Problemen waren iets wat je steeds kon verwachten op die buslijnen. Dus bad ik gewoon een klein gebed. De volgende halte was het politiebureau in de DeKalb-laan en plotseling belde die kerel en stapte af. Hij zei me niets en ik sprak ook niet met hem. Maar ik was blij dat hij afstapte.

Mijn hart sprong op. Soms ben ik nogal emotioneel, en ik probeerde het in te houden, maar toen hij van de bus afstapte was het alsof een grote last van me af viel. De enige wijze waarop ik me kon uitdrukken was te zeggen: “Oh, dank u Jezus!” Ik was precies zo aan het overkoken, volledig gevuld. Toen ik dat zei, vroeg het meisje: “Was u dat?” Ik zei,”Ja, ik was het.” Ze zei: “Wat is er gebeurd?” Ik zei: “Ik was net God aan het danken.” Ze zei: “Ben je gered?”Op dat moment raakte me die Pinkster uitspraak: “Gered, geheiligd en gevuld met de Heilige Geest!” zei ik haar. Ze zei: “Ik evenzo.” Ik zei: “Als je gered bent, geheiligd en gevuld met de Heilige Geest, wat doe je hier dan op die tijd van de nacht? Begrijp je niet dat je jezelf en mij in de problemen kon brengen?” Ze zei: “Wel ik kwam pas terug van de gemeente.”
Ik zei: “Je moest iemand hebben om je thuis te brengen.” Ze moest helemaal tot aan de terminus van de lijn, het is dus onnodig te vertellen dat we aan de praat raakten.

Broeder Coleman en ik zochten naar een man van God die het Woord van God predikte en doopte in de Naam van de Here Jezus Christus, en die tekenen en wonderen had. En dan haalde ze iets aan over een profeet. Ze zei: “Wij volgen de lering van William Branham.” Ik zei: “William wie?” Ik had nog nooit over hem gehoord. Ze zei: “Hij is een profeet.” Ik had in mijn Bijbel gelezen in Galaten hoofdstuk 1, hoe als iemand of zelfs een engel uit de hemel een ander evangelie zou prediken, laat hem verdoemd zijn. Ze zei: “Hij predikt exact wat Paulus predikte.” Ik zei: “Met tekenen en wonderen volgend, en doopt hij in Jezus Naam?” Ze zei: “Ja mijnheer. Ik denk dat je eens naar onze gemeente moet komen om er getuige van te zijn.”

De gemeente waar wij toebehoorden wou niet dat we ergens anders op bezoek gingen, maar we wilden langs de straat gaan, zoals op de 42e straat, de mensen helpende. Maar de voorganger zou zeggen: “Die grond is compleet opgebrand.” Ik zei: “Maar wij hebben hem niet opgebrand.” Er zijn er zo velen die Jezus Christus nodig hebben en ik wilde tot hen getuigen om ze naar de gemeente te brengen. Dus belde ik Broeder Coleman op en sprak over de zuster die ik ontmoet had, en dat ze zei dat ze voor ons zou bidden en dat we zouden plannen om erheen te gaan om er getuige van te zijn.

Joseph Coleman

Het moet mei 1961 geweest zijn toe die Pinkstervoorganger hard tegen ons begon te prediken, en het werd echt iets teveel. Broeder Hunte herinnerde me aan die gemeente waar ze doopten in Jezus Naam, dus zei ik: “Laat ons gaan waar ze dopen volgens Handelingen 2:38.”

Zo gingen we naar de gemeente van Broeder Anthony Milano.

We gingen binnen, en de hele plaats was een beetje in oproer. Wij wisten niet dat Zuster Mary, de dame op Broeder Huntes bus, getuigd had van haar ervaring, en dat de gemeente ongeveer zes maand voor ons aan het bidden was. Toen hij ons ontmoette, kon Broeder Milano niet weten dat Broeder Hunte en ik, sinds we gered waren, onze eigen Bijbelstudie hadden in mijn keuken. We startten met Genesis, hoofdstuk één, en in Genesis, hoofdstuk drie, zagen we dat er twee zaden waren. Onze vraag was: “Waar gingen ze heen?” En omdat we geen antwoord vonden, lieten we het gaan. Toen Broeder Anthony ons zag, begon hij ‘zware kost’ te prediken, om te zien of we het konden nemen. Hij zei: “Er waren twee zaden in de hof van Eden.” Wij zeiden: “Amen!” We zochten daar al een jaar naar. Het blies hem bijna uit de kansel. Na de dienst, kwam Broeder Pat Tyler naar ons toe en groette ons. Hij zei: “Wel broeders, er is een profeet, en er is een Boodschap.” En we zeiden: “Goed, amen.” Ik vroeg: “Waar is de profeet? Dat is alles wat ik wil weten.”

Hij zei ons dat we naar de Branham Tabernakel moesten gaan in Jeffersonville, Indiana. Broeder Pat gaf ons een lijst van broeders die we konden contacteren als we daar waren.

We kwamen in de Tabernakel aan voor de vrijdag avond mannen gebedsdienst, en een van de broeders die ons benaderde maakte zich bekend als Alex Shepherd, een van de namen op onze lijst. Hij benaderde ons met zo’n wondervolle Christelijke geest en later werden Broeder Shepherd en zijn familie, door de jaren heen, zeer speciale vrienden. Broeder Neville, de assisterende voorganger, begroette ons en zei: “Broeders, kom maar vooraan plaatsnemen.” Dan waren er enkele getuigenissen, en Broeder Neville zei: “Ik vraag me af of jullie ook willen getuigen?” Broeder Hunte ging eerst, en lieve help, hij begon te getuigen over Brooklyn, en de dronkaards, de verslaafden, en al het werk dat daar nog moest gedaan worden, en al de broeders riepen en verheugden zich over wat hij gezegd had. Toen het mijn beurt was, zei ik: “Wel, broeders, ik ben hier voor een doel. Ik begrijp dat er een profeet in het land is. In mijn hart verlangde ik al die tijd om een man van God te zien die doopt volgens Handelingen 2:38, en waar de tekenen en wonderen volgen. En nu, heb ik die plaats gevonden, ja mijnheer, en ik vond ook de man.” Daarmee viel het vuur, en iedereen begon te roepen en te schreeuwen. Dan begon Broeder Neville te profeteren, en de Heer sprak in verband met ons zeggende: “Ik heb hen al aanhoord en hen gezegend … en de mond van de profeet zal op hen zijn en zij zullen evenzo deze dingen tot hun mensen spreken en velen zullen bevrijd worden.” Wat een zegen en bevestiging was dit voor ons.

Er was een dienst op zondagmorgen, en we ontmoetten vele mensen en hadden en goede tijd. Broeder Branham was niet in die samenkomst, en we hoorden dat zijn moeder op vrijdag heengegaan was. Op maandag was de begrafenisdienst van Zuster Ella Branham, we gingen erheen. Daar zagen we Broeder Branham voor het eerst. Later gingen we naar de caravan waar Broeder Gene Goad en Broeder Leo Mercier hun kantoor hadden en de bandopname zaak. We dachten, nadat we de banden gekregen hadden, vlug te kunnen vertrekken, maar toen we daar kwamen, zeiden ze ons dat Zuster Ruby Wood een bandopname zou hebben met de drie profetieën die over ons uitgesproken waren op die vrijdagavond in de mannen gebedsamenkomst. Mijn verlangen was een kopie te krijgen van die boodschap van de Heer, en Broeder Gene zei me: “Broeder Coleman, ga naar het huis van de Woods en je zult ze krijgen, want ze is de bibliothecaris van al de profetieën.” Ik zei: “Dat is geweldig.” Het was ongeveer één uur toen ik bij Woods huis aankwam. Broeder Hunte bleef in de caravan, om te getuigen tegen een Noorse dokter die kanker had, en die naar de stad gekomen was om voor zich te laten bidden.

Toen ik aan Zuster Wood zei waarvoor ik gekomen was, zei ze: “Oh, ja, Broeder Coleman, ik heb ze.” Ze had een klein kastje vol bandopnames, en ze begon ze door te nemen. Ze zocht een tijdje en zei: “Ik moet je zeggen, ik vind ze nergens.” Ik zei: “Wel, dank u voor het zoeken.” En ik keerde terug naar het kantoor. Toen ik daar kwam, zei Broeder Gene: “Neen, Broeder Coleman, ga terug.” Hij drong zeer sterk aan, dus ging ik terug naar Woods huis, ongeveer 20 minuten ver. Toen ik daar aan kwam was ze overal aan het zoeken. Van waar ik stond, zag ik een band liggen bovenop het meubel waarin ze aan het zoeken was. Ik begon er iets over te zeggen, en de Heilige Geest zei me: “Zeg niets.” Dus zei ik geen woord meer. Ik reed terug naar het kantoor, en opnieuw zei Broeder Gene: “Ga terug.” Voor de derde keer, ging ik terug. Zuster Wood zei: “Wel, ik weet het werkelijk niet.” Dan keek ze plots bovenop het kastje en zei: “Wel, hier is het.” Het was ongeveer 4u30 in de namiddag toen ik terugkwam naar de woonwagen. Broeder Hunte was nog steeds met de Noorse dokter aan het praten, zijn geloof opbouwend.

Tien minuten laten hoorden we een wagen toeteren. Het was Broeder Branham. Broeder Leo en Broeder Gene gingen samen naar buiten en spraken met de profeet, maar de rest van ons stond bij het raam te kijken. Het enige wat ik kon denken was: “Whaw, daar is de profeet!” Plots wenkte hij dat we zouden naderen. Hij bleef in de auto zitten, en als we dichterbij kwamen voelden we een machtige zalving er rond. Ik had nog nooit zoiets gevoeld. Hij sprak een minuutje met de Noorse broeder en beloofde hem over enkele dagen voor een privé gesprek te ontmoeten. Dan zei hij tot ons allen: “Ja, ik vroeg me af of moeder in de Bruid was.” Ik dacht bij mezelf: “In de Bruid? Ik dacht dat iedereen in de Bruid was.” Dat was het enige wat ik ooit wist in Pinksteren. Dan vertelde hij verder over een visioen waarin hij zijn moeder zag in een hoge loge (in een theater), een eervolle positie, gekleed in elegante Victoriaanse stijl, zoals in het begin van de twintigste eeuw droegen. Daar was ze in de loge van de koningin, en daardoor wist hij dat ze in de Bruid was. Wij waren de eersten aan wie hij dat visioen toevertrouwde, en hij vertelde ons ook nog andere dingen. U kunt zich niet voorstellen hoe wij ons voelden. We hadden de profeet gezien; we hoorden de profetieën. We zweefden gewoon.

We keerden terug naar de Tabernakel toen Broeder Branham “Het herstel van de Bruidsboom”  predikte op paaszondag 22 april 1962. Dat was de eerste dienst die we ooit bijwoonden, en dan werden we in de samenkomst eruit geroepen. De gebedsrij was zoals altijd, aan de rechterkant van Broeder Branham, en hij sprak tot een persoon in de gebedsrij, een man met astma. Broeder Hunte en ik zaten aan de linkerzijde van het auditorium, ver naar achteren. Broeder Hunte was aan het bidden voor zijn zus, Millie, die ook astma had, en ik was aan het bidden voor mijn vader, die een beroerte had. Broeder Hunte’s geloof bewoog de Vuurkolom vanaf het podium tot waar wij zaten, en toen de profeet tot Broeder Hunte sprak, voelde ik de aanwezigheid Gods. Op dat moment zei Broeder Branham: “Het is een kleurling die achterin zit en naar me kijkt. Hij heeft iemand die ziek is, dat is juist, …astmatisch en sinus. Je hebt Hem aangeraakt. Je bent niet van hier mijnheer. Je kwam van het Oosten, Noord – Oost, je komt van New York. U bent Mr. Hunte. Geloof je nu? Goed zo. Dat is uw vriend die bij je zit, biddend. Geloof je mijnheer dat ik Gods profeet ben? Je bent met hem naar hier gekomen; je naam is Coleman, en je bidt voor een vader die een gezwel heeft. Dat is: “Zo Spreekt de Heer. Ga, geloof nu.” Dan begon ik God te prijzen en Broeder Branham begon de aandoeningen in mijn lichaam op te noemen. Ik bleef God prijzen terwijl hij sprak, en dan zei hij: “Jezus Christus maakt je gezond.”

Op 11 november 1962 kwamen we terug, toen hij ‘Gods Lasterlijke Namen’  predikte. We kwamen aan op zaterdag rond 1 uur in de namiddag en gingen direct naar het huis van de herder. We kwamen met zijn zessen van New York. Broeder Hunte en zijn vrouw, Zuster Dolly; Broeder Ben Smith; Zuster Alma Gomez, en Zuster Coleman en ikzelf. Enkele ogenblikken nadat we aangekomen waren, sprak de Heilige Geest tot me, niet in onzekere bewoording: “Ga naar het huis van Mijn profeet, nu direct.” Dus zei ik: “Iedereen in de auto, we gaan naar het huis van de profeet.” We reden de Ewing Lane op en reden aan zijn huis voorbij, we gingen naar de Utica Pike en keerden terug. Toen we terugreden, heel traag, kwam Broeder Branham vlug uit het huis en liep naar de garage. Hij was op zijn sloffen, en deed alsof hij de garagepoort zou openen, dan keek hij rond. Ik dacht dat God hem naar buiten stuurde. Ik zei: “Hunte, stop de auto” en we sprongen er allen uit. Waar we bleven staan blokkeerden we eigenlijk de straat, dus kwam Broeder Branham langs de oprit naar ons toe en zei: “Hoe maakt u het?” En hij nam zijn hoed af. We stonden daar gewoon, bijna vastgenageld, en hij zei: “Broeder, kan je de wagen een klein beetje verplaatsen?” Broeder Hunte ging en verplaatste de auto aan de kant van de weg. Terwijl Broeder Branham daar stond, leek het alsof zijn ogen glazig werden, net alsof hij heel ver keek. Hij zei: “Hebben jullie al mijn verhaal gehoord over Memphis?” We zeiden: “Ja, mijnheer.” Hij zei: “Wel, het vliegtuig hield me op, en een kleurling zuster was aan het bidden voor haar zoon die een sociale ziekte had.” En hij ging verder met het verhaal. Dan zei hij: “Kom toch binnen in mijn studeerkamer.” We volgden hem allemaal in de kamer. Hij sprak tot ieder van ons persoonlijk, en ieder van ons wilde hem iets vragen. Zuster Alma was toen nog niet getrouwd, ze was ongeveer 19 jaar oud, en op haar werkplaats had ze aan een Joods meisje gezegd dat ze zuidwaarts ging om een profeet te zien. Het Joodse meisje zei: “Wel, als je een profeet ziet, spreek hem dan zekerlijk over ‘het huwelijk.’ Zo vroeg Alma: “Broeder Branham, wat ‘trouwen’ betreft, als iemand gaat trouwen…” Hij zei: “Oh ja, als je gaat trouwen, wees er zeker van dat beide families akkoord zijn en hun zegen geven. Beide families.” Zuster Alma veronderstelde dat dit voor het Joodse meisje was, maar eigenlijk was het voor haar. Later, was er een gelijkaardige situatie met haar toekomstige echtgenoot en zijn vader.

Dan draaide hij zich naar Broeder Hunte en mij, en hij nam een foto van een Afrikaanse inboorling (die in een tijdschrift stond dat op zijn bureau lag). De man op de foto had een been door zijn neus, en hij zei: “Wel, die man heeft zijn god lief, en hij wil voor zijn god sterven. Hij mag zichzelf geven als voedsel voor de krokodillen of hij mag op hete kolen wandelen, maar u moet dat niet doen. Het enige wat wij moeten doen is leven voor Christus. Je moet voor Hem niet sterven, maar wel voor Hem leven.” Dan draaide hij zich om en nam een foto van de oude bisschop Johnson – een bekende radio prediker van de apostolische Kerk van Jezus Christus in Philadelphia. Hij had die foto daar in zijn studeerkamer en hij zei: “Wel, hij had het Woord, maar u broeders wees er zeker van dat je liefde hebt met het Woord.”

We begonnen een gemeente in mijn huis op 6 januari 1963. Mensen kwamen van overal en nogal vlug werd het een grote kudde. We hadden meer plaats nodig. Ik belde Broeder Billy Paul en ik zei: “Broeder Hunte en ik moeten het werk uitbreiden, maar hier hebben we een licentie nodig, vooraleer we de toelating krijgen om een gebouw te huren voor een kerk. We vroegen ons af of we zouden kunnen ingezegend worden in de Tabernakel, want we wilden geen inzegening papieren van een Pinkster denominatie.”

Broeder Billy Paul zei me een brief te schrijven naar de profeet, en zo deed ik, en in de brief haalde ik Elia aan in drievoud. Ik liet Broeder Branham weten dat ik exact wist wie hij was. Dan schreef hij me terug en zei: “Schrijf dit naar Broeder Joseph Mattsson-Boze.” Toen me verteld werd dit te schrijven naar Broeder Mattsson-Boze, had ik het op mijn hart om hem te zeggen dat Broeder Branham de Geest van Elia had van Maleachi 4. In juni ontvingen we twee aanvragen die vermeldden: “Laat uw voorganger dit ondertekenen.” Wel, Broeder Branham was onze voorganger, dus belde ik opnieuw Broeder Billy Paul op en zei hem dat we de aanvragen hadden die nodig waren. Hij zei: “Kom maar hierheen, Broeder Coleman.” Ik vroeg: “Zal Broeder Branham bereid zijn ons aan te stellen?” Hij zei: “Oh, zeker. Neen, wacht een minuut. Vader moet naar de tandarts en heeft belangrijk werk te doen op vrijdag, dus zal hij voor enkele dagen niet bereikbaar zijn.” Ik zei: “Dat is in orde, Broeder Billy. Kan Broeder Neville het doen?”

We wilden alleen maar onze papieren in orde krijgen zodat we konden uitgaan en de Boodschap prediken. Hij zei: “Geen probleem.” Dus gingen we daarheen. Op zaterdagmorgen belde ik Broeder Neville en zei hem dat Broeder Billy Paul gezegd had dat hij ons zou aanstellen, want Broeder Branham moest naar de tandarts. Maar hij zei: “Oh, nee, Broeder Bill zal het doen.” Ik zei: “Maar, wat met zijn tandprobleem?” Hij verzekerde mij, dat de profeet in orde was.

Toen we op zondagmorgen aan de kerk kwamen, ontmoetten we verschillende broeders en we vertelden hen dat Broeder Branham ons zou aanstellen deze morgen. Enkelen van hen verzekerden ons dat dit nooit zou gebeuren, ze zeiden ons dat we keikoppen moesten zijn om werkelijk te geloven dat we door de profeet zouden worden aangesteld.

Daar zaten we, heel stil, in de samenkomst, wachtend om te zien wat er werkelijk zou gebeuren. Broeder Branham kwam naar de kansel en begon te praten, dan zei hij: “We hebben hier vandaag een paar gekleurde broeders, jong, ik bedoel jong in de bediening. Ze zijn hier om aangesteld te worden. Geef ons de toon aan voor het lied ‘Toen de vuurkool de profeet raakte’. En dan zei hij: “Kom maar naar voor broeders.” Op het podium, moesten we ons omdraaien en naar de mensen kijken.

Ik weet dat er velen verwonderd waren dat hij ons naar voor riep. Dan vroeg hij of andere prediker broeders, verbonden aan de Tabernakel, naar voor wilden komen om ons ook de handen op te leggen. Broeder Ruddell kwam naar voor met ons en Broeder Neville was al op het podium, dus legden beiden ons de handen op, met Broeder Branham, terwijl hij bad: “Hemelse Vader, mogen deze mannen nu zo leven en werken in de oogst van God.”
Het is allemaal op de bandopname ‘De Aanklacht’.

Tijdens onze aanstelling, sprak de profeet een korte zin, die ik niet duidelijk gehoord had, en het was praktisch onhoorbaar op de originele bandopname, omwille van achtergrond lawaai. Het was na 1983 dat ik dat vernam wat hij zei: “Goede gezondheid en sterkte.”

Door de jaren heen, werd ik aangevallen door vele ziektes en aanvechtingen in mijn lichaam. Ik wist niet dat daar een belofte was van “Goede gezondheid en sterkte,” gesproken door de profeet. Nadat die ontbrekende woorden me gegeven waren, werd ik door de Heilige Geest geleid naar het boekje ‘Zoals de Arend haar broedsel opwekt’  en Hij verkwikte me met deze paragraaf: “Ik heb mensen gezien die gebonden waren in rolstoelen, en op doodsbedden met kanker, maar als Gods Geest de opwekking neerwierp werden ze vernieuwd, en stonden op uit de rolstoelen en de bedden, zich verheugend! Onze grote God vernieuwt ons; Hij vernieuwt onze gezondheid, Hij vernieuwt onze sterkte; Hij vernieuwt onze hoop. Hij vernieuwt ons bestendig! Amen. Zie je, geliefden, waarom we vergeleken worden met arenden? We worden vernieuwd in de Geest net als zij.”

In 1964, een jaar na onze aanstelling, kwam Broeder Rassmussen, die secretaris was van de ‘Onafhankelijke Assemblies of God’ naar New York en sprak in onze kerk. Hij zei ons: “Ja, vorig jaar belde Broeder Branham me op dat hij twee voorgangers wou aanstellen, en hij vroeg of ik hun twee aanvragen kon sturen.” Toen Broeder Hunte en ik dat hoorden, kunt u zich wel inbeelden dat we schrokken en verwonderd waren dat Broeder Branham zelf Broeder Rassmussen opgebeld had en hem gevraagd had de aanvragen op te sturen!

In augustus 1965, waren we in Jeffersonville voor de samenkomsten, en op een dag ontmoette ik Broeder Green en hij zei me: “Broeder Joe, kom me zaterdag ochtend opzoeken in de Holiday Inn, in de wachtzaal, rechtover het restaurant om exact 10 voor 9” Ik was er op tijd en ging de wachtzaal binnen. Het restaurant was aan de andere kant en ik bemerkte dat Broeder Branham in het restaurant zat, met zijn rug naar de deur, en Broeder Pearry Green zat in mijn richting kijkend. Ik stapte opzij, wachtte, en stipt om 9 uur kwamen ze samen naar buiten. Broeder Pearry zei: “Broeder Branham, dit is Broeder Coleman uit New York. Zijn gemeente kocht de overgordijnen voor uw woonkamer.” Broeder Branham zei: “Oh, mijn broeder, je moest dit niet gedaan hebben. Hier, laat me je daarvoor betalen” en hij greep naar zijn checkboek. Ik zei: “Nee, nee Broeder Branham, doe dat niet, aub. Dat is onze zegen voor u.” Hij zei: “Jezus zei: ‘Voor zover gij dat aan de minsten van de mijnen hebt gedaan, zo hebt gij het aan mij gedaan’.” Dan kneep ik bijna zijn hand van zijn arm af. Broeder Pearry vertelde me later dat, toen ik in de wachtzaal binnenkwam, Broeder Branham hem aankeek en zei: “Een van onze gekleurde broeders komt net binnen.”

Als ik bedenk, dat God zijn profeet gebruikte, om me tweemaal eruit te roepen, en me zulke woorden van inspiratie, stimulatie en genezingsbeloften te geven, ben ik nederig en met ontzag vervuld door deze onderscheiding. Het was werkelijk een voorrecht en een eer om de profeet voor deze tijd, Broeder William Marrion Branham, gekend te hebben.

Mijn gedachten gaan terug naar een speciale dag in mijn leven, waar ik geraakt werd door de bezorgdheid en liefde van de profeet. Het was 14 juni 1964, en Broeder Branham had tijdens de morgendienst God aan ons ontsluierd. ’s Avonds predikte hij ‘De Zonderling’, en ik kan waarlijk zeggen dat God, verborgen in de profeet, me troostte in de tijd van mijn grootste nood.

Een broeder zei me dat Broeder Billy Paul me wenste te zien. Na de dienst, ging ik naar de parkeerplaats en daar zag ik hem met Broeder Branham. Alle kracht had de profeet verlaten, hij was zwak, en Broeder Billy Paul ondersteunde hem.

Broeder Branham strekte zijn kleine dappere lichaam, keerde zich naar me toe en zei: “Broeder Coleman, ik was daarbinnen naar je op zoek om je eruit te roepen” en dan sprak hij heel ernstig drie simpele woorden: “God zegen je.” Wat kan ik zeggen! Al mijn zorgen en lasten waren volledig van me weggenomen en op dat moment besloot ik in mijn hart om verder de goede strijd te strijden.

Toen Broeder Branham me zei: “God zegen je”, kan ik getuigen dat de zegeningen werkelijk over en boven alles uitgingen van wat ik ooit kon hopen voor mezelf, mijn familie, mijn kerk en allen waarmee ik verbonden was. Waarlijk, de Bijbel zei: “geloof in de profeten en je zal voorspoedig zijn.”

Josafat trad naar voren en zeide: ‘Luistert naar mij, Juda, en inwoners van Jeruzalem, gelooft in de Here, uw God, en gij zult bevestigd worden; gelooft in Zijn profeten, en gij zult voorspoedig zijn’.
II Kronieken 20:20.