De Samenkomst Boodschapsgemeente


Deloris Branham Filer

Geboren: 2 november 1929
Woonplaats: Charleston, Indiana
William Branhams enige zuster, en de jongste van de tien Branham kinderen.

Bill was de oudste in de familie. Hij was twintig toen ik geboren werd, en hij noemde me Faye Deloris Ramona. Ik denk dat hij, omdat ik de laatste was, en het enige meisje, na negen jongens, al zijn favoriete namen ineens wou gebruiken.

Mijn vroegste herinnering aan Bill was met kerstmis toen ik ongeveer vijf jaar oud was. We hadden niet veel, en de gemeente was nagelnieuw. Hij deelde sinaasappels uit aan de kinderen. Iedereen weet dat mijn vader dronk, maar om de een of andere reden was hij in de dienst. Al de andere kleine kinderen gingen naar voor om hun sinaasappel te halen en ze lieten me wachten tot de laatste, omdat ik het Branham meisje was. Wel, mijn pa moest gedronken hebben, omdat hij me gewoon opnam en me helemaal vooraan bracht, en Bill gaf me mijn sinaasappel. Dat vergat ik nooit, hoe papa me daar naar voor bracht, voor alle andere kinderen, alsof hij wilde zeggen: “Deloris zal nù haar sinaasappel krijgen!”

Ik werd zeer beschermd. Mama hield me dicht bij huis, weg van alle jongens en zo meer. Bill doopte me in de rivier te Milltown wanneer ik ongeveer 10 jaar was. Als kind waren we altijd anders. Niet dat het me hinderde, maar de mensen lachten ons uit omdat ons geloof zo anders was. We hadden lang haar en ze dachten dat we zonderling waren. Het was moeilijk om dit als kind te aanvaarden, maar als je ouder wordt, realiseert u zich dat het niets uitmaakt. We maakten ons klaar om terug te gaan waar we vandaan kwamen.

Bill en ik hebben maar weinig tijd samen doorgebracht, slechts af en toe, het spijt me dat te moeten zeggen. Hij was altijd weg. Juist voor ik ging trouwen zei Bill: “Ik wil je meenemen en met je praten.” Zo gingen we ergens naar het platteland. Hij moest toen de hoogspanningslijnen controleren voor de Openbare Diensten Maatschappij. We zaten daar en praatten, en het was zo gemoedelijk. Hij herinnerde me eraan dat trouwen niet zomaar iets was om te doen, het was een levenslange verbintenis. En hij legde me uit hoe knap Juni was, met die volle bruine golvende haardos, en ik was in goede gezondheid, maar dat die jeugdigheid en schoonheid zouden afnemen. “Zal je dan nog steeds hetzelfde van hem denken als je dat nu doet?” vroeg hij me. Ik zei hem dat ik dat zou doen, en hij bad voor me.

Ik moet toegeven, dat ik nogal een temperament had. Ik had echt een slecht temperament. Toen ik trouwde zei Bill: “Ik geef haar zes maanden.” Maar het duurde meer dan 20 jaar. Hij deed onze trouwdienst in de Tabernakel, maar hij was erg ziek. Het was op 11 september, 10u, op een hete zaterdagmorgen. Bill stond daar in zijn wit pak, met hoge koorts, hij droeg isolerend ondergoed voor de koude rillingen. Hij trouwde ons, maar was zo ziek als een hond.

Later, zoals het leven verder ging, begon ik me te realiseren wat Bill was. En nu, hoe ouder ik word, hoe meer ik waardeer wat hij was, en welke bediening hij had.

Er is één ding dat we misten in de familie. Het leek alsof iedereen voorrang kreeg, voor ons. En ze hadden het. Er waren zieke mensen, en hij had deze wereld zoveel te bieden. Alles wat Bill ons vertelde, aanvaardden we gewoon, want we wisten dat hij gelijk had. We brachten niet zoveel tijd door met Bill, maar we wisten dat als we hem nodig hadden, we hem konden bellen, speciaal als we ziek waren.

Af en toe, als ik iets op mijn hart had waarover ik wanhopig was om met Bill erover te spreken (en er was niemand anders bij wie ik ooit zou gaan), ging ik naar zijn huis. Op een keer, was Meda in Arizona en hij was alleen thuis. Hij sprak met me en had een woord van gebed met me. Hij zei: “Zus, weet je, dat Licht dat ik zie terwijl ik bid, waarover ik zoveel spreek?” Ik zei: “Ja.” Hij zei: “Wel het hangt nu juist boven je hoofd.” Wel, dat is een van de meest dierbare herinneringen die ik van Bill heb. Hij stond daar in jeans, met een cowboyriem aan. Dat vergeet ik nooit. Ik denk zelfs niet dat hij een hemd aan had, hij leunde tegen de kast.

Ik weet van die vele keren dat Becky en Sarah met mijn kinderen kwamen spelen, omdat er iemand in hun huis was, zieke mensen op de oprit. Je kon niet naar binnen, en zij konden niet naar buiten om in de tuin te spelen, maar ze kwamen naar mama en speelden in de achtertuin. Ze zouden daar spelen en vuil worden, en mama vond dat niet erg. Dat was allemaal om te helpen, terwijl Bill zijn plicht deed. En Meda had geen minuut tijd, iedereen daar heel die tijd, en mensen die steeds gewoon maar binnenvielen.

Moeder was een typische, oude plattelandsvrouw. Zeer echt, zeer eenvoudig, met kleine behoeften. Ze was nooit een grillig persoontje, maar ze was een van de beste moeders die je kon hebben. Ze was zeer strikt met ons; zelfs met de jongens, ze probeerde het. Zij moest ze natuurlijk, zelf opvoeden. Ik was heel klein, ongeveer zeven jaar, toen mijn vader stierf, en moeder moest de familie opvoeden. Ze heeft haar ganse leven hard gewerkt. Eerst, was het eten geven aan de zeelui in de ‘Jeff Boat’. Ze kookte en deed de was op het wasbord in de achtertuin voor de zogenaamde ‘zee jongens’ Als de grote boten zouden binnen komen in de ‘Jeff Boat dokken’, kwamen de zeelui aan land om te eten.

Mama had hulp nodig, zo kwam tante Mamie uit Kentucky om haar te helpen. Dan verhuisden we naar een groter huis – in Maple Street – waar ze woonde tot ze stierf. Daar hield ze een pension in de bovenkamers. Mama en tante Mamie kookten en wasten. Ik moest schoonmaken en afwassen. Dat is waarom ik tot op heden zeg geen vaat meer te willen aanraken. Ik doe het niet meer zonder een vaatwasmachine. We verpakten ook lunchpakketten voor de jongens die tijdens de oorlog in de poeder fabriek werkten.

Op een keer, was ze aan het koken en aan het wassen voor vijftien logees, plus haar eigen kinderen die ofwel nog thuis waren of langs kwamen.

Moeder was zeer trots op Bill. Ze wist dat hij Gods profeet was, maar ze had medelijden met hem, en ze mistte hem. We wilden allemaal zo graag veel tijd met hem doorbrengen. Om werkelijk heel eerlijk te zijn, ik denk dat we erdoor geraakt waren. We waren allemaal trots op wat hij deed, maar we wilden meer tijd met hem doorbrengen. Terzelfder tijd wisten we dat hij een heel, heel speciaal iemand was.
Ik was me daarvan bewust, al toen ik teenager was. Hoe kon hij de Bijbel, en al die andere leerstellingen die andere scholieren en hoog geleerde mensen moesten leren, kennen? Het was gewoon daar voor Bill. Niet dat hij niet studeerde, maar het moest God zijn die het hem gaf.

Een kleine, ongeleerde man als hij, afstammend van een zeer arme familie, die nooit iets had…. het verwonderde ons altijd. We waren altijd zeer dankbaar. We waren geslagen, toen we over het ongeval hoorden. Billy Paul belde vanuit Amarillo, Texas en zei: “Als je papa nog levend wil zien, kom je beter direct.” We hadden niet veel geld, slechts hardwerkende mensen, maar Juni was net uitbetaald. Hij was een metselaar, ik nam de auto en reed tot waar hij werkte en zei hem: “Ik moet nu Billy zien.” Hij zei: “Ik kan niet mee met je. Ik wil de kinderen niet alleen laten, in geval er iets gebeurt zou er niemand zijn om voor de familie te zorgen, maar jij kunt gaan.”

Ik had nog nooit gevlogen. Ik kon een vlucht krijgen van Louisville naar St. Louis. Daar was een groep soldaten aan boord, het was een soort noodvlucht. Ik was bang, maar ik was zo in een shocktoestand dat het de vrees verdoofde. Toen we in St. Louis kwamen, hielden ze de volgende vlucht voor me op. Ze namen me van het eerste vliegtuig en een begeleider greep mijn hand en we begonnen te rennen.

Het was zo koud. Juni had me een mooie jas gekocht voor kerst … rode wol, met een licht blauwe vossenkraag … en ik droeg hem. Ze hadden al de trap weggenomen, de man gooide mijn bagage in de deuropening, dan nam hij me op en plaatste me in het vliegtuig. Toen ik te Amarillo aankwam, kwamen ze me ophalen en brachten me naar het ziekenhuis. Ze lieten slechts één persoon per keer binnen, om Bill te zien.

Toen het mijn beurt was om hem te zien, werd ik gewaarschuwd dat hij in een slechte toestand was, en indien ik onwel zou worden het hen zou laten weten. Ze trokken me die schoenen en dat kleed aan. We gingen binnen, en hij lag daar op de tafel aan al die machines en met buisjes en van alles in hem. Hij had lakens op zich. Toen ik binnenging voelde ik me zo vreemd. Ik dacht: “Je kunt niet ziek worden; je kunt niet uit onze levens verdwijnen.” Ik stond daar enkele minuten naar hem te kijken, zo onbeholpen. Ik wist niet wat te doen. Om eerlijk met u te zijn, het was net of ik verdoofd was. De verpleegster kwam binnen en nam me mee naar buiten. Ik ging in de wachtkamer en kon bijna niet ademen. Ik had een moeilijke tijd, ik zat daar sprakeloos, zwijgzaam, gewoon in shock.

Ik bleef enkele dagen in Amarillo. Hij werd zo slecht, en het was kerstavond. Hij werd in leven gehouden door de machines. De dokters hadden Billy Paul al gezegd dat de machines hem in leven hielden. Ik wist dat ik niets meer voor Bill kon doen, dus besloot ik dat het tijd was om naar huis te gaan naar mijn familie. Het was de laatste vlucht. Het sneeuwde, er was veel wind, echt blazend. Ik belde op vanuit St.Louis, en hij was al heengegaan.

Ik geloof niet dat mijn leven sindsdien ooit in orde is geweest. Je verliest dat… ik weet niet hoe het uit te leggen…dat hij weg is. Het was nooit meer hetzelfde.

Moeder en Bill waren diegene die stabiel waren. Toen moeder stierf, was ik erdoor verwoest. Maar toen hadden we nog altijd Bill. Maar toen Bill heengegaan was, dat was als, wel, het einde van ons als familie. Ik heb geprobeerd enkele familie bijeenkomsten te organiseren. We kwamen samen en hadden een goede tijd toen Donny nog leefde. Maar de eenheid van de familie was er niet meer. Dan werd Jesse ziek en ging gestadig achteruit. Het is niet dat we elkaar niet liefhadden, we zagen elkaar gewoon niet meer. De familie was geen familie meer. Henry stierf. Nu zijn ze allemaal dood.

Je zegt dat je van de Branham Tabernakel bent en mensen zullen zeggen: “Wat is dat?” Ik zeg hen het is de gemeente van mijn broer. Dan gaan ze op het internet en ze vinden uit dat het als een cultus beschouwd wordt. Maar ik denk dat als ze mij kennen (niet dat ik een goed voorbeeld ben) maar mij kennende als een vriendelijk persoon, en ik doe geen vreemde dingen (je weet, hoe mensen over een cultus denken) dat dit de zaak een klein beetje kan helpen.

Mijn ganse leven ben ik naar geen andere gemeente geweest, dan naar de Tabernakel. Nu heb ik de MP3-speler die ik van de kinderen kreeg, en ik heb al de predikingen van Bill die ik kan beluisteren. Ik ga niet naar de gemeente, maar wat mij betreft, ik ben nooit van de gemeente weg geweest. Ik heb mijn geloof in God geplaatst. Het is de top van mijn lijst.

Je zou nooit kunnen geloven dat een profeet van God zou komen door een familie als de onze. Niet dat we slechte mensen zijn, maar we waren mensen die niets hadden. Voor zover ik weet, had niemand van ons een hogeschool diploma.

Ik veronderstel in mijn gedachten, ik denk dat God ons Bill heeft gezonden, en ik denk dat Bill Zijn werkelijke vertegenwoordiger was en Zijn Geest had. Misschien zou ik niet ‘vertegenwoordiger’ mogen zeggen, maar ik weet dat God in Bill was. Daar is geen twijfel over. Dat zal ik verdedigen tot de dag dat ik sterf.