De Samenkomst Boodschapsgemeente


Dallas Stayton

Geboren: 31 mei 1941
Woonplaats: Crestwood, Kentucky.
Als hij een jongeman was, gaf William Branham hem een geschenk dat zijn leven veranderde.

Ik ben een neef van Broeder Banks Wood en ook van Broeder Charlie Cox. De naam van mijn moeder was Anna Spaulding, en zij was oom Charlie’s zuster.

De eerste keer dat ik over Broeder Branham hoorde, was als mijn neef David Wood, in één van Broeder Branhams samenkomsten genezen was van polio. Toen dit gebeurde, was oom Banks zo opgewonden over het feit dat zijn zoon nu genezen was dat hij verhuisde van hier waar we woonden in Oldham County, Kentucky, naar Indiana, om er naast Broeder Branham te wonen. Ze werden echte dichte vrienden.

Dan begon Broeder Branham op eekhoornjacht te komen, soms zou hij in mijn grootmoeders huis zijn, en soms bij oom Charlie. Ik was nogal veel bij hem. Ik was verwonderd over het feit dat er hier iemand was die samenkomsten hield over de ganse wereld, en sprak tot grote menigten, en toch was hij maar een van de kameraden, met eekhoornbloed op zijn kleren. Juist een gewone man. Dat imponeerde mij, maar toch, was ik in die tijd nog geen christen en pretendeerde er ook geen te zijn. Maar door zo gewoon bij hem te zijn, kon ik zeggen dat hij verschillend was van andere mensen. Hij kwam gewoonlijk in augustus voor het eekhoornjacht seizoen. Ik ging jagen sinds ik 12 was, dus was eekhoornjacht de liefde van mijn leven. Ik zou liever dat doen, dan wat ook, zelfs tot op vandaag.

Op een dag waren we daar in mijn ooms huis, en we zaten in wat toen zijn garage was. Ik had een Merlin .22 (geweer), en het schoot nooit precies. Ik had al aan verschillenden gevraagd of ze wisten hoe ik het juist zou kunnen richten, maar niets wat ze probeerden werkte. Ik kon voelen dat er iemand aan mijn schouder stond, naar mij kijkend, en als ik me links draaide, zei Broeder Branham: “Wil je dat ik dit even bekijk?” Ik zei: “Ja, dat wil ik wel.” Hij zei: “Geef het aan me.” Hij pakte het, en nam een schroevendraaier. Maar er was maar één schroef aan het wapen en deze werd al op elke mogelijke wijze ingesteld.

Dus nam hij het geweer en zei dat hij het achter het huis zou inschieten. Ik vroeg hem of hij wilde dat ik met hem meeging, en hij zei dat hij het alleen wou doen. Hij zei: “Daarna kan je het nemen en uitproberen.” Hij ging achter het huis en ik hoorde hem een of twee keer schieten, dan kwam hij terug en zei: “Nu, neem het en probeer het.” Dat geweer schoot perfect. Het moest wel door gebed zijn of iets van dat soort, omdat er niets anders kon gedaan worden om dit geweer te veranderen. Verschillende mensen die goed wisten wat ze deden hadden het al geprobeerd.

Iets persoonlijks nu, mijn moeder was verschillende keren getrouwd, en ik had in de Bijbel gelezen dat je de echtgenoot van één vrouw behoorde te zijn, en dat een vrouw verondersteld wordt één echtgenoot te hebben. Daardoor wou ik Broeder Branham hierover vragen: “Kon mijn moeder gered worden, nadat ze zoveel verschillende keren getrouwd was?” Ik had hier met niemand over gesproken, en dit was vele jaren voor hij over het onderwerp ‘Huwelijk en Echtscheiding’ predikte. Op een morgen was ik bij mijn grootmoeder thuis. Broeder Branham zat op de schommelstoel op de veranda. Ik zat op een stoel ongeveer 3 meter van hem vandaan. Ik vroeg: “Broeder Branham, ik heb in de Bijbel gelezen over die huwelijkssituaties. Kan mijn moeder gered zijn?”

Dan begon hij een zeer lang en getailleerde opsomming van Gods genade aan David en verschillende anderen, maar het leek alsof hij in een cirkel aan het ronddraaien was. Dit duurde zo ongeveer 10 minuten. Toen hij ermee klaar was zei ik: “Ja, dat weet ik Broeder Branham, maar je hebt mijn vraag niet beantwoord.” Dan begon hij opnieuw, en deze keer was het maar 5 minuten, maar het was voor mij nog steeds een grote cirkel! Toen hij begon weg te gaan, liet hij zijn hoofd zakken en zei: “Zoals ik het nu op dit moment zie, is er geen hoop.” Ik kan je dit niet uitleggen, maar iets kwam over mij, dat ik de man verschrikkelijk lief had, en toen begreep ik mijn eigen gevoelens niet. Hier had hij me gezegd dat mijn moeder verloren was, maar toch had ik hem lief om het me te zeggen. Dan ging hij naar binnen.

Zoals ik vroeger al gezegd had, dit gebeurde voor hij ooit ‘Huwelijk en Echtscheiding’  predikte. Als hij over het onderwerp sprak, zei hij haar en mijn stiefvader om te blijven zoals ze waren en dat God hen genadevol was geweest. Het was zeker Gods genade, omdat Broeder Branham voordien gezegd had dat er geen hoop was.

Mijn vrouw en ik zijn nogal jong getrouwd, ik was 18 en zij 16, en zij was van een sterk katholieke familie. Dus waren er in onze eerste huwelijksjaren nogal wat wrijvingen. Mijn moeder zorgde voor een privé onderhoud met Broeder Branham, en we gingen naar zijn huis om hem te zien. We gingen in zijn kamer en zetten ons neer, maar tot op vandaag kan ik me niets herinneren van wat in dit gesprek werd gezegd. Eerst sprak hij tot haar, maar voor de een of andere reden was het precies alsof alles voor mij geblokkeerd was. Het was een korte ontmoeting, en als het voorbij was gingen we naar de auto en ze zei: “Wel, dat was het.”

Ik dacht dat ze bedoelde dat het met ons huwelijk voorbij was. Ik zei: “Wat bedoel je met te zeggen: Dat is het?” Ze zei: “Dat is het, ik wil geen katholiek meer zijn.” Iets wat hij zei tijdens dat gesprek, had haar overtuigd dat ze niet het rechte pad volgde. De volgende zondag gaf ze haar leven aan de Heer, en daarmee was er geen wrijving meer in ons huwelijk. En hier zijn we nog altijd samen, 42 jaar later.

Toen Broeder Branham predikte in de Tabernakel in Jeffersonville, leunde ik gewoonlijk tegen de muur aan de linkerzijde van de kerk, kijkend naar de kansel. Bijna elke zondag bleef ik aan de muur staan, omdat je moeilijk een stoel kon krijgen. Maar op een zondag, om een of andere reden, hadden we stoelen recht vooraan beneden. We zaten in de tweede rij, net achter Broeder en Zuster Way. Broeder Way zat één stoel verder, aan mijn linkerkant.

Aan het einde van de dienst, als we recht stonden om te zingen, viel de man, en ik was erbij. Nu de meeste mensen konden hem niet zien omdat we allemaal recht stonden, maar hij zakte in elkaar naar rechts, en sloeg zijn hoofd tegen de houten armleuning van de stoel, net boven zijn oor. Het maakte een geluid zoals je op een watermeloen zou slaan, dan viel hij voorwaarts, op de vloer recht tegenover de kansel. Daar lag hij. Zuster Way, die verpleegster was, knielde neer en begon hem te controleren, ze nam zijn polsslag, en dan begon ze te schreeuwen dat hij heengegaan was. Toen dit gebeurde, stapte Broeder Branham heel kalm naar beneden tot waar hij was. Hij knielde neer naast hem, en natuurlijk was ik zeer nieuwsgierig, en ik was slechts 1,5 meter van hem verwijderd. Ik keek heel nauwlettend toe hoe Broeder Branham voor hem bad, en het eerste wat ik zag was dat Broeder Way’s ogen knipperden. Toen stond Broeder Branham op, ging terug naar de kansel en zei: “Nu, geef onze broeder een kans.” Broeder Way stond na enkele minuten recht, maar ik denk dat hij nog wat duizelig was voor de rest van de dienst. Maar omdat de mensen rechtstonden toen dit gebeurde, had ik waarschijnlijk het beste zicht van allemaal.

Op een dag was ik bij oom Charlie toen Broeder Branham aankwam. Hij was pas terug van zijn trip in Arizona, en hij had kleine geschenken mee voor mijn neven, die ‘brede riemen’ die ze in het westen gebruiken.

Mijn vader was een alcoholverslaafde en ik voelde me altijd minderwaardig ten opzichte van mijn neven. Later toen niemand erbij was, kwam ik bij de zijde van Broeder Branham en zei: “Broeder Branham, als je nog eens westwaarts gaat, kan je me ook een dergelijk riem meebrengen?” Toen, begon hij aan zijn eigen riem te trekken. Vlug zei ik: “Nee, oh neen. Ik wil niet dat je dat doet.” Hij zei: “Jonge man, kom hier.” Hij nam zijn riem en deed ze rond mij. In die tijd kon het met moeite rond mij (en nu ben ik veel dikker). Maar het paste in het laatste gaatje.

Ik wist niet wat te zeggen of te doen, en je moet mijn woord hiervoor nemen. Precies daar wist ik, als op een dag een van mijn geliefden zou ziek zijn, ik die riem zou kunnen gebruiken om genezing te brengen. Hoe ik dat wist, weet ik niet, maar ik wist het als een feit.

Ik nam de riem mee naar huis en legde ze in de lade. Ik zou ze in de lade bewaren en zou niemand die geen christen was ze laten aanraken. Ze lag daar voor jaren, misschien wel 15 jaar, en niemand raakte ze aan. Ik had in mijn gedachten dat het één van mijn kinderen zou zijn of mijn vrouw die het op een bepaalde dag zou nodig hebben.

Als de tijd verstreek, ontwikkelde mijn moeder, Anna Spaulding, een kwaadaardige tumor. Die tumor groeide heel snel, dat ze haar ten slotte nog drie maanden te leven gaven. We zouden haar bezoeken en voor haar bidden, en tenslotte werd ze slechter en slechter. Ze namen een CT-scan en de kanker had de twee voorkwabben en een van de achterkwabben van de hersenen aangetast. Ze zei ons: “Ik heb de verslagen gezien en ik weet dat ik ga.” En het leek erop dat ze elk moment kon gaan.

Op een zondag waren we bij haar thuis geweest en we hadden met haar gebeden. Toen we weggingen, twee blokken verder, hoorde ik een stem die zei: “Zou je je moeder laten sterven als je een mogelijkheid hebt om haar te redden?” Het herhaalde dit tweemaal, en ik zei: “Nee, dat zou ik niet.” Toen kwam die riem in mijn gedachten.

Ik kwam thuis, nam de riem en bracht die naar haar. Ze was te kort voor haar, ik nam een schoenveter en verbond de uiteinden met elkaar rond haar middel. Ik zei haar: “Mama, nu zal je niet gaan.” Ik gaf haar de opdracht om ze aan te houden. Onmiddellijk begon ze beter te worden, en ze verbeterde tot het punt waar ze alles kon doen wat ze wilde. Ze kookte en het zag ernaar uit dat ze in orde was. Ze ging terug naar de dokter en hij zei dat het echt verbazingwekkend was. Hij zei: “Er is geen teken van kanker, en ik zie kristallisatie waar de kanker was. Dit is werkelijk een wonder.” Op een dag belde ze me op en zei dat ze de riem wou afdoen omdat het op haar heup begon te wrijven, en het was niet comfortabel en wat nog meer. Ze zei: “Ik ben goed nu, ik heb ze niet meer nodig.” Ik smeekte haar en zei: “Mama, doe dit niet, doe ze nu nog niet af.” Ik voelde – als Hij kon spreken en u zeggen dat je ze moest dragen, dan zou er ook een dag zijn dat Hij zou spreken en ons laten weten wanneer ze af te doen – Ik dacht niet dat het nu de tijd was, maar zij bleef aandringen.

Dus, na haar lange periode van herstel, liet ze de riem af, en bijna ogenblikkelijk ging ze werkelijk heel vlug bergaf. In enkele maanden, was ze weg.

Nu is er nog de rest van het verhaal van de riem. Ze lag hier voor een lange tijd, en dan ongeveer vijf jaar geleden ontwikkelde ik kanker. De dokter noemde het lypo sarcoma, en ik herinner me hoe Broeder Branham sprak op de banden over hoe verschrikkelijk sarcoma kanker was. Ik werd helemaal niet geleid om de riem aan te doen, maar ik voelde dat ik wist dat hij die de riem had gedragen het Woord van God had gedragen. Bijgevolg voelde ik dat het net hetzelfde was als toen de profeet zei dat hij de staf moest nemen en deze op het kind leggen.

Ik deed dus de riem aan, en sindsdien draag ik ze nog steeds. Ik heb ze ook vandaag aan. Enkele maanden geleden zeiden de dokters dat ik niet meer terug moet komen, dat er geen teken van kanker meer is.

Ik geloof dat hij zei dat uw houding tegenover een situatie er veel mee te maken heeft. Ik denk dat de houding die vanuit mijn binnenste kwam, toen ik hem kende en hem liefhad, toen ik hem gevraagd had over mijn moeders huwelijken, die houding is een beloning van God die helemaal naar beneden gekomen is. Dat is gewoon mijn mening.

Ik ben zo dankbaar dat zijn pad het mijne kruiste. Dallas