De Samenkomst Boodschapsgemeente


Charles Cox

Geboren: 25 oktober 1932
Woonplaats: Elkhorn, Kentucky
Kentucky makker en jachtkameraad die voorzag in een plaats waar William Branham kon uitrusten en weg kon komen van de stress van de bediening.

In augustus 1955, kwam Broeder Branham voor drie avonden naar de ‘Acton Campground’ een klein plaatsje buiten Campbellsville, Kentucky. Het was een oud gebouw, als een schuur, met een zaagselgrond, en je kon daar ongeveer 700 mensen een zitplaats geven. Elke avond was het nokvol.

Het was binnen drie mijl van bij me thuis, en hoewel in die tijd geen van ons beiden een christen was, gingen mijn vrouw en ik naar die samenkomsten. Mijn zuster Ruby Wood, en haar echtgenoot Banks, woonden naast Broeder Branham in Jeffersonville, en ze hadden ons uitgenodigd om hem te horen spreken.

Heel veel dingen die ik hoorde begreep ik niet, maar ik wist dat het God moest zijn en niets anders. Er waren heel wat mensen die we kenden die Broeder Branham eruit riep, en we wisten wat er verkeerd met hen was. Dan waren er nog twee of drie die we kenden die genezen werden, twee van hen waren kankerpatiënten.

Het was in de lente van het volgende jaar dat Nellie, mijn vrouw, naar de Tabernakel ging toen Broeder Branham sprak en zij gaf haar hart aan de Heer. Ik herinner me, toen ze die avond na de dienst thuis kwam. Ze zat op mijn schoot en zei: “Schat, raad eens wat er gebeurd is!” En ik zei: “Wat dan? Ik weet het niet.” Ze zei: “Ik werd vanavond gered.” Ik zei: “Ik ben blij.” Maar ik zei: “Ik zal je één ding zeggen. Leef het. Wees geen hypocriet.” Ik was nog altijd een zondaar, maar ik hield niet van hypocrieten, en vandaag nog steeds niet.

In mei 1956 gaf ik mijn hart aan de Heer.

Vanaf 1956 verbleef Broeder Branham elk jaar, verschillende weken bij ons thuis. In de late herfst gingen we op eekhoornjacht, en in de late winter jaagden we op konijnen. In de zomer gingen we vissen. Hij scheen zich te verheugen toen hij hier was.

Nellie en ik waren werkelijk jong toen we trouwden; zij was 15 en ik was 18. Binnen drie jaar hadden we twee jongens, Gary en Larry (beiden dienen de Heer vandaag). Nellie ontwikkelde een vrouwelijke kwaal die werkelijk erg was, en de dokter zei ons dat er niets anders te doen was dan te opereren.

Wel, ze was pas 18 jaar oud, nog een kind, en we wisten niet wat te doen. Op een weekend nodigde Broeder Banks ons uit voor de diensten in Jeffersonville. We gingen, en Nellie ging door de gebedsrij. Broeder Branham legde haar de handen op, maar hij zag nooit een visioen, of als hij er een zag zei hij er geen woord over. Hij legde haar alleen maar de handen op, en zij ging door. We woonden ongeveer 160 km van Jeffersonville, en ik herinner me dat ik die avond tijdens het naar huis rijden vroeg: “Schat geloof je dat de Heer je genezen heeft vandaag?” Ze zei: “Ja, met mijn ganse hart.” In die tijd moest ze een band dragen om haar schoot op te houden en ik zei: “Wel je kunt de band uitdoen en weggooien, je zal die niet meer nodig hebben.” De volgende week of zo, kwam Broeder Branham om te jagen. We woonden nogal ver weg op een boerderij, het echte platteland, en mijn vrouw maakte een maaltijd klaar voor hem en Broeder Banks, die met hem gekomen was. Na het eten, terwijl hij daar zat aan tafel, zei hij: “Zuster Nellie, kan je me een glas water halen aub?” Ze ging een glas water halen, en ze moest daarvoor naar buiten gaan. We hadden geen stromend water binnenshuis, maar er was een oude waterpomp waar we water pompten. Dus haalde ze water, kwam terug binnen en gaf het hem. Op dat moment zei Broeder Banks: “Ik denk dat ik een spijker in mijn schoen heb, hij prikt in mijn voet.” Ik zei: “Geef hier, ik zal hem eruit trekken.” Ik nam zijn schoen, en ik ging naar mijn kleine smidse. Toen ik dat deed kwam Broeder Branham achter me aan. Toen ik aan de schoen aan het werken was zei hij me: “Broeder Charlie, een poosje geleden is Zuster Nellie naar buiten gegaan om me een slok water te halen, ik zag een visioen. Er is iets met haar, in verband met het dragen van een band.” Ik zei: “Ja, zeker.” Ik wist dat niemand dit wist dan alleen ik, zij en de dokter. Hij zei: “Ze droeg een soort band, maar maak je geen zorgen, God heeft haar genezen.” En nu mag ik het vertellen, want dit is wat hij zei. Hij zei me ook nog dat we ‘goede vrienden’ zouden worden. Ik wist zelfs niet wat ‘goede vrienden’ waren, maar toen de tijd voorbij ging, werden we zeker grote vrienden. Jaren later toen Nellie weer naar de dokter ging voor onderzoek, zei hij dat ze in perfecte conditie was, voor een vrouw van haar leeftijd.

Ik weet net zo goed als u dat de werkelijke reden waarom Broeder Branham naar hier kwam niet was om te jagen en te vissen, hoewel hij er echt van hield. Maar in de situatie waarin hij was, en met zijn roeping, moest hij een plaats hebben om tot rust te komen.

Hij kon zeker bij hem thuis geen rust vinden, omdat er constant een stroom was van mensen die wilden dat er voor hen gebeden werd of die antwoorden wilden op hun vragen. Ik verwijt die mensen niets, omdat ik weet dat ik hetzelfde zou gedaan hebben. Maar ik geloof dat God voor hem een plaats voorzien had waar hij wat rust kon vinden.

Vele keren kwam hij achter de kansel en vertelde de mensen dat hij naar Kentucky ging, en iedereen wist dat hij naar ons kwam. Maar weet je, het vreemde ervan was, al die tijd was er niemand die hem hierheen volgde, tenzij hij hen meebracht. Of we ons daarvan bewust zijn of niet, dat op zich was een wonder.

Dikwijls kwam hij en was hij echt zenuwachtig. We spraken nooit over geestelijke dingen, of stelden hem nooit Bijbelvragen. Zoals je weet, zou dat hem direct terugbrengen in die toestand waaruit hij probeerde weg te komen. We spraken dus over andere dingen, gewoonlijk over jagen en vissen. En als hij genoeg gerust had, begon hij zelf over geestelijke dingen te praten, soms wel twee of drie uur, sprekend over de Heer. Hij nam de Bijbel en legde ons de dingen uit, nam een stuk papier en tekende het ons voor, en ging erdoorheen. Hij deed dit avond na avond. Toen hij hier was, namen we nooit foto’s, en hebben we nooit één woord op band opgenomen. Ik geloof dat God het op die wijze wou. Als we foto’s zouden nemen, zou hij zich niet op zijn gemak voelen. Hadden we die sessies op band opgenomen, dan zou hij niet gezegd hebben wat hij gezegd heeft.

Hoewel Nellie en ik allebei werkten, hadden we praktisch nooit geld. Het was niet moeilijk om te zeggen wat we zouden eten want we aten praktisch elke avond hetzelfde. Op een avond zouden we eekhoorn, koeken en saus eten; en de volgende avond zouden we saus, koeken en eekhoorn eten. We hadden werkelijk niets, maar ik geloof dat Broeder Branham ervan hield, en ik geloof dat hij het zei zoals het was, wanneer hij zei dat eekhoorn het beste vlees was in de wereld. Misschien heb je het nooit gegeten, maar het is werkelijk niet slecht.

Elke dag dat hij er was gingen we jagen. Van zeven uur ’s morgens tot drie uur na de middag werkte ik in de fabriek, daardoor kon ik niet zoveel ’s morgens met hen jagen. Maar ik ging altijd ’s avonds (voor drie of vier uur). Hij en Broeder Banks zouden op mij wachtten, ik kwam van het werk trok mijn eekhoornbroek aan en we gingen eropuit. Ik mag dit misschien niet zeggen, maar weet je, soms droegen we die broek voor dagen, ook Broeder Branham deed hetzelfde. Ze werd helemaal stijf van het eekhoornbloed, omdat we de geschoten eekhoorns aan onze gordel droegen. Broeder Branham plaagde me en zei: “Broeder Charlie, als je vanavond naar bed gaat, zet je broek maar in de hoek.” Wel ze was gewoon helemaal stijf, maar de zijne was net zo stijf als de mijne. In Kentucky mocht je zes eekhoorns schieten per dag, en wij schoten ze met .22 holle punten. Ik hoorde de mensen zeggen: “Broeder Branham schoot elke eekhoorn in het oog.” Wel, dat is niet waar. Hij schoot niet elke eekhoorn in het oog. Hij schoot heel veel op die wijze, dat is waar, maar sommige schoot hij ook op het lichaam, en ik zal je zeggen waarom.

Een bepaalde keer kwamen van de jacht terug, en mijn kleine kinderen waren misschien drie of vier jaar oud. We hadden een hele hoop eekhoorns klaar om gevild en gereinigd te worden. Mijn kleine jongens bekeken de eekhoorns één voor één. En ze zeiden: “Dat is een goede. Die telt niet mee. Dit is een goede. Die telt niet mee.” Broeder Branham zei: “Waarover spreken ze spreken ze eigenlijk?” Ik zei hem: “Wel, je schoot ze in de kop. Je vernietigde de hersenen, en dat is hun favoriete deel.” Daaruit haalde hij de grootste kick. Hij zei: “Jongens, ik zal er enkele schieten. Ik zal je enkele goede eekhoorns bezorgen.” En dat deed hij. Nu, het feit dat wij eekhoorn hersenen verkiezen boven het andere vlees klinkt misschien vies voor u, maar voor u oordeelt moet u ze eerst proeven. We eten nog steeds de hersenen, en ze krijgen nog steeds de voorkeur.

Nadat we gered waren, reden we regelmatig naar de samenkomsten in de Tabernakel in Jeffersonville. Op een dag zei Broeder Hickerson, een van de diakenen, dat Broeder Branham me in zijn bureau erover wou spreken, dat ik diaken zou worden in de gemeente. Toen ik daar kwam zei ik: “Broeder Branham, ik kan geen diaken zijn. Ik woon honderd mijl (160km) hier vandaan, en ik kan hier niet altijd zijn. Ik kan dat gewoonweg niet doen.” Hij zei: “Het zal je een kans geven iets voor de Heer te doen.” Maar ik zei: “Nee, Broeder Branham, ik denk niet dat ik het kan aannemen.” Op dat ogenblik begon de gemeente te zingen: “Geloven alleen” en hij moest naar de preekstoel gaan, en hij draaide zich om, stak zijn vinger naar me uit en zei: “Je neemt het aan.” Ik nam het aan. Wat zou jij gedaan hebben? Ik diende daar 15 jaar als diaken, en nog enkele jaren als hulpprediker, tot we een gemeente startten in Campbellsville.

Bijna elke keer dat Broeder Branham naar huis zou vertrekken, zei hij: “Broeder Charlie, heb je soms nog vragen?” Ik zei: “Nee, mijnheer.” Maar toen hij weg was, begon ik te denken: “Nu als hij terugkomt, zal ik hem dit en dat vragen.” En ik weet niet hoe dit allemaal ging, maar toen hij terugkwam, voor ik mijn vragen kon stellen, werd elke vraag beantwoord. Dan maakte hij zich klaar om te vertrekken en vroeg: “Heb je nog vragen?” Wel natuurlijk had ik geen vragen meer.

Ik heb altijd gezegd dat je met hem een privé gesprek kon hebben in een gemeente vol met mensen. Ik geloof dit met heel mijn hart.

Het is echter moeilijk om aan iemand uit te leggen hoe het was om voor die man te staan, wetende dat hij door uw leven heen keek. Maar dat is precies wat er gebeurde.

Mijn moeder had een kanker in haar gezicht. Het ging tot in haar neus en in de hoek van haar oog. Het was ongeveer de grootte van een halve dollar, of groter. De huisdokter keek ernaar, en hij stuurde haar naar de dokters in Louisville. Maar ook zij zeiden dat er niets kon gedaan worden, en ze stuurden haar opnieuw naar huis. Zo ging ze naar het huis van mijn Zuster Ruby en riep Broeder Branham.

Hij ging de kamer binnen waar mama was en bad voor haar. Toen hij buiten kwam, wilde iedereen weten wat de Heer gezegd had, maar Broeder Branham zei: “Hij toonde mij niets, maar ik geloof dat het in orde komt.” Moeder leefde nog 30 jaar hierna. Ze stierf toen ze 94 was. Ze had nooit een huidtransplantatie of zoiets, en toen ze stierf was de enige wijze waarop je kon zien dat ze kanker gehad had, was als je haar bril afnam, misschien een vierde van een duim, waar je een litteken kon zien.

Toen mijn zoon Larry nog jong was had hij plotse aanvallen, en als we nu terugkijken, realiseren we ons dat het epilepsie (vallende ziekte) was. We waren zelf ook nog jong en maakten ons aanvankelijk geen zorgen. Je weet hoe kinderen zijn, je bent dan ook niet zo bezorgd zoals je dat bent als je ouder wordt. Maar dan kwam het tot een punt waarop dingen heel vaak gebeurden. Een avond was Broeder Branham bij mama thuis, en wij maakten ons klaar om op eekhoornjacht te gaan. Op dat moment was Larry in orde, maar opeens zei Broeder Branham: “Laat ons voor Larry bidden.” Ik herinner me dat hij bij de stoel knielde, hij sprak slechts enkele woorden, de Heer vragend om voor hem te zorgen en hem te genezen. Toen hij opstond zei hij: “Broeder Charlie, ik geloof niet dat hij nog één van die aanvallen zal krijgen, maar als hij het heeft, neem dan zijn onderhemd af en gooi het in het vuur en zeg: “Ik doe dit in de Naam van de Here Jezus Christus.” Larry is nu een volwassen man, en hij had nooit geen aanvallen meer.

Er waren drie dingen die Broeder Branham steeds opnieuw en opnieuw zei, dat was dat we nooit buiten het seizoen zouden jagen, dat we nooit boven de limiet zouden schieten, en dat we altijd naar de gemeente zouden gaan op zondag. “Je gaat naar de gemeente, mis de samenkomst niet.” zei hij. Ik geloof dat dit nog steeds geldt voor eenieder van ons vandaag.

Ik herinner me nog toen we pas gered waren, voordat we regelmatig naar de Tabernakel gingen. We gingen naar de ‘Kerk van God’ hier dichtbij. Ze geloofden natuurlijk in de drie-eenheidleer. Op een zondag was Broeder Branham bij ons thuis en zei: “Jij gaat naar de kerk.” Hij forceerde ons bijna, en hij zei: “Als ik mijn kostuum had zou ik met je meegaan.” We gingen naar de kerk en lieten Broeder Branham thuis achter. Je zou kunnen zeggen: “Dat zou ik niet doen.” Als je hem geloofde, dan deed je dat gewoon.

We hadden kleine honden die op konijnen jaagden, en Broeder Branham hield ervan. Het waren goede honden. Die ene jonge hond, werd eens door mijn vrouw overreden met een 1957 Oldsmobile. Hij was een klein jong hondje en ze reed er midden over. Dat kleine arme ding, er liep bloed uit zijn oren en zijn neus, en hij ademde nauwelijks. We waren op jacht in de bossen bij mijn moeders huis, en in plaats van naar de dierenarts te gaan, legde ze de hond in de auto en reed tot waar wij waren. Toen ze daar kwam, was Broeder Branham al binnen van de jacht. Mijn Zuster Ruby was daar ook, en zij had al heel wat dieren onderzocht. Ze zei: “Broeder Branham, dat hondje is stervende. Waarom doodt je het niet, het kan niet meer leven. Het is in stukjes, verbrijzeld.” Broeder Branham zei: “Wel, Zuster Wood, laat ons dat nog niet doen.” Iedereen behalve Broeder Branham ging het huis binnen. Er was een veranda aan het huis, met een hoge opstap, misschien 18 duim (54cm) vanaf de grond, en na enkele minuten kwam Broeder Branham via de veranda het huis binnen. Toen hij dit deed volgde de kleine hond hem, hij sprong die hoge opstap omhoog op de veranda. De hond was in orde. Enkele weken later kwam Broeder Branham opnieuw om te jagen. Ik zei hem: “Broeder Branham, herinner je je die kleine hond waarvoor je bad, en de Heer hem genas?” Hij zei: “Ja zeker, het was een flinke.” Ik zei: “Weet je, die hond is er nu al een week vandoor.” En dit zal ik nooit vergeten, Broeder Branham draaide zich om, keek me aan en zei: “Wel, Broeder Charlie, ik veronderstel dat hij zichzelf ergens bedwelmde en stierf.” Denk je dat hij je niet zou testen? Ik zei: “Broeder Branham, die hond stierf niet. Hij liep hier de ganse week rond. Die hond mankeerde niets.” Ik vond die hond. Het bleek dat iemand de hond gestolen had, en tenslotte liet ik het zo dat hij hem kon houden. Welnu, ik weet niet of ik dit nu nog zo zou doen of niet, maar ik deed het. Ik liet hem gewoon gaan.

Wanneer Broeder Branham ‘De series over De Heilige Geest’ predikte, herinner je je misschien dat hij het zo duidelijk maakte, dat je zonder dat de Opname niet zal halen. Velen van ons werden echt wanhopig. Ik herinner me hoe ik naar buiten ging, achter het huis, buiten in het veld, wandelend en biddend. Soms kom je in zulk een mate in de Tegenwoordigheid van God, dat je nog nauwelijks kan stappen. Broeder Branham wist dat ik de Heilige Geest zocht, en als hij naar ons terug kwam zei hij: “Broeder Charlie, wat is het dat u wandelt, huilt, en bidt, en de Tegenwoordigheid van God is volledig over je heen. Je probleem is, dat je te ver weg kijkt naar God om iets te doen, en Zijn Heilige Geest te zenden, en Hij is hier helemaal over je. Die Grote Tegenwoordigheid die je voelt, dat is De Heilige Geest. Doe gewoon de deur open. Ik zal nu vertrekken, maar ik wil je dit nog zeggen: als je de Heilige Geest niet ontvangt, dan zal ik, als ik terugkom, met je gaan en we zullen blijven tot je het krijgt.” Dat was goed genoeg. Hij stuurde me een band, en ik denk dat ze nu de naam veranderd hebben, maar de titel was: ‘Geloof is het zesde zintuig’, en terwijl ik naar de band luisterde, ontving ik de Heilige Geest. En mijn vrouw evenzo.

Ik weet dat Broeder Branham na de ontmoeting met die constellatie van Engelen op de Sunset Mountain, nooit meer dezelfde was. In 1964, laat op het jaar, gingen we met zijn tweeën jagen. We reden tot een plaatst waar hij graag ging jagen, een plaats genaamd Mud Hollow. Ik wist dat daar veel eekhoorns waren. Ik zei: “Broeder Branham, ga maar die kant op, en ik zal die andere kant opgaan.” Ze hadden hout gehakt op de weg die ik ging, en ik wou er zeker van zijn dat hij de kans kreeg om er enkele te schieten. Toen we die avond binnenkwamen, ik denk dat ik er twee schoot, maar Broeder Branham had er geen, en dat was zijn gewoonte niet. Hij zag dat ik werkelijk teleurgesteld was en hij zei: “Broeder Charlie, ik wil je iets vertellen. Ik kon hen gedood hebben. Ze kwamen recht naar de boomstam waar ik zat, maar ik wou ze niet schieten.”

Wat mij betreft, had hij zoveel meer liefde voor alles. Dat was het grote verschil dat ik bij hem bemerkte.

De laatste herfst, voor hij ons verliet, wist Broeder Branham, dat er iets zou gebeuren. Hij wist dat zijn tijd kort was. De laatste keer dat hij bij ons was, ik denk dat hij, toen hij zich klaarmaakte om te vertrekken, twee tot drie keer naar de auto ging. Dan kwam hij terug, en hij wou bidden en zei ons om dingen te doen, en dingen niet te doen. Hij had een bal pet op die hij graag droeg toen hij op eekhoornjacht ging, en toen hij op het punt stond om weg te rijden, stapte ik naar het raam van zijn auto en hij nam zijn pet af en plaatste die op mijn hoofd. Ik zei: “Broeder Branham, ik wil uw pet niet.” Maar hij zei: “Jawel, je neemt ze Broeder Charlie. Ik zal ze niet meer nodig hebben.” Ik heb ze nog steeds.

Ik geloof dat ik Broeder Branham opnieuw zal ontmoeten hier langs deze kant. Ik geloof dat de opstanding zo dichtbij is. Ik zal door die bossen wandelen en daar een tijdje verblijven waar hij ervan hield te jagen. Ik zie ernaar uit hem één dezer dagen het pad te zien komen afwandelen, dan zal ik weten dat de verandering van dit lichaam zal geschieden.

Ik denk nu meer over Broeder Branham dan ooit tevoren in mijn leven. Elke dag die voorbijgaat hem ik hem een beetje meer lief. Ik hou van de Boodschap die hij bracht, en vandaag geloof ik dat ik een beetje meer begrijp van datgene wat hij ons al die tijd probeerde te zeggen.

Ik weet dat ik elk moment koester dat ik bij hem geweest ben. Al wat ik ooit gezien heb was God. En ik hou ervan te zeggen dat ik geloof dat God onder ons wandelde in deze dag, maar ik geloof niet dat Broeder Branham God was. Ik wil ook nog zeggen dat ik over hem wil bluffen zoveel als ik kan. Ik wil hem zo hoog opheffen als ik kan, zonder van hem de vleesgemaakte Jezus Christus te maken. Die laatste jaren zijn de beste van mijn leven geweest, en dat is alles omwille van wat Broeder Branham ons leerde, en het wordt groter en groter. De dingen die hij zei en die we toen niet begrepen, worden nu duidelijker. Charles