De Samenkomst Boodschapsgemeente


Betty Collins Phillips

Geboren: 7 december 1945
Woonplaats: New Albany, Indiana
Ze groeide op met de Branhamkinderen, en had een diepgaand respect voor William Branham en zijn bediening.

Om naar de Branham Tabernakel te kunnen gaan, verhuisden we van Wolf Creek, Kentucky, waar mijn pa de voorganger was van een Methodistenkerk, naar Charlestown, Kentucky. Het was niet lang daarna dat ik Rebekah ontmoette, Broeder Branhams dochter. Ik was in die tijd 10 jaar oud, en we hadden dezelfde leeftijd. We werden vlug beste vriendinnen, en bijna elk weekend was ofwel zij in mijn huis of ik in haar huis.

Beiden, Broeder en Zuster Branham behandelden me als een van hun eigen kinderen. Ze kochten me kleine geschenken, en gaven me dezelfde soort van liefdevolle correctie die ze hun eigen kinderen schonken. Bijvoorbeeld: Een zondag na de dienst, Rebekah en ik wandelden met Broeder en Zuster Branham in de Fourth Street in Louisville, Kentucky. We waren op weg om te lunchen in de Blue Boar cafetaria. Ik droeg een paar rode schoenen, met hoge hakken die misschien wel 10 cm (drie duim) hoog waren. Broeder Branham stopte aan de schoenwinkel en wees naar een paar schoenen met een heel wat lagere hak. Hij zei: “Betty, dit is de hakhoogte die ik graag zie. Ik hou niet van hoge hakken, omdat een vrouw daarmee niet rechtop kan gaan, en ze zijn hard voor uw lichaam.” Natuurlijk, was ik direct beschaamd over de schoenen die ik aan had! Ik ging naar huis en gooide elk paar schoenen met hoge hakken weg, en ik droeg ze nooit meer. Ik dank de Heer om me de waarheid te tonen.

Ik ging naar de Branham Tabernakel sinds ik 10 jaar oud was. (met uitzondering van de vijf jaar van 1964 tot 1969, toen we in Tuscon woonden). Ik heb veel genezingen gezien. Ik herinner me nog levendig dat er een meisje naar de kerk kwam dat niet kon stappen. Het zag ernaar uit dat haar vingerkootjes teruggetrokken waren in haar lichaam. Broeder Branham bad voor haar en ogenblikkelijk sprong ze op en begon te lopen.

Ik was in de dienst toen Broeder Edmund Way stierf. Dat was werkelijk een buitengewone gebeurtenis. Broeder Branham was aan het einde van de dienst en was klaar om van het podium af te komen, toen plotseling Zuster Way het uitriep. Zij en Broeder Way zaten direct voor de kansel, en Broeder Way was op de vloer gevallen. Broeder Branham stapte over de altaarafsluiting en knielde neer om voor hem te bidden. Zijn hart begon opnieuw te kloppen. Na een tijdje kon hij weer zitten. Zuster Way, die een gediplomeerde verpleegster was, vertelde dat toen hij viel, hij geen polsslag meer had.

Kort na mijn 14de verjaardag, bracht mijn familie een namiddag door in Broeder Branhams huis. Ik had veel pijn in mijn zijde en had een pijnstiller genomen, maar de pijn was niet verdwenen. Toen het tijd was voor de dienst, reden Ma en Zuster Branham met de jongere kinderen in onze auto. Broeder Branham, pa, Rebekah en ik reden in de stationwagen. Ik zei niets, maar als we aan de Tabernakel kwamen, had ik zoveel pijn dat ik met moeite kon staan. Tenslotte geraakte ik in de dameskamer waar een lange bank stond. Ik kronkelde me op die bank neer en kon me niet meer bewegen. Rebekah zei: “Dat is het, ik ga pa halen om voor je te bidden.” Zo ging ze en haalde een diaken, die op zijn beurt Broeder Branham meebracht. Hij was al op het podium, maar hij kwam om voor mij te bidden. Ogenblikkelijk was ik in orde, en mijn pijn verdween. Ik wachtte een beetje en ik ging dan zitten in het heiligdom. Broeder Branham was aan het prediken, en hij stopte om te vermelden dat de Heer mij bevrijd had. Hij zei aan mijn pa en de diakenen dat ik een plotse aanval van appendicitis gekregen had. Dit was in 1959, toen hij predikte: ‘Geloof is het zesde Zintuig’. Ik heb geen probleem meer gehad van toen af tot vandaag.

Ik was daar toen het Licht verscheen op de muur van de Tabernakel bij het prediken van de gemeentetijdperken. Ik zat vijf rijen van het einde, en aan dezelfde kant waar het verscheen. Twee meisjes die ik kende zaten dichterbij, en ze hadden enkele moppen verteld die niet erg mooi waren. Ze vertelden me later dat ze, toen dat Licht boven hun hoofden verscheen, dachten ze dat ze dood zouden vallen. Als het Licht veranderde van vorm, de verschillende tijdstippen van de gemeentetijdperken tonend, kon je de Tegenwoordigheid van de Heer voelen in het gebouw.

Verschillende keren in mijn tiener jaren, vroegen jongens me mee uit. Vele keren zei Broeder Branham me waarom ik wel of niet met hen mee kon gaan. Het was misschien omwille van de betekenis van hun naam, of een zeker aspect van hun karakter. Ik ging eens een tijdje met een jongen, en later toen we elkaar niet meer zagen zei Broeder Branham me dat het een goede zaak was. Als ik hem getrouwd was, zou mijn leven een hel op aarde geweest zijn.

Enkele tijd hierna, kwam Broeder Branham op een dag naar ons huis en zei: “Betty, je zult in het Westen de echte jongen ontmoeten, en ik zal op een dag met hem in uw huiskamer zitten, terwijl je voor ons biefstukken bakt in de keuken. Ik zal in de keuken komen en u op de schouder tikken en zeggen: Zie eens hoeveel gelukkiger je bent met die jongen dan dat je ooit met die andere zou geweest zijn.”

Dat is nu ongeveer 40 jaar geleden, maar nog steeds … ik probeer nog steeds verse biefstukken in de diepvries te hebben.

Op de hogeschool, wanneer we voor onze senior foto moesten gaan, weigerde ik die open-schouder-jurk te dragen die de andere meisjes ook droegen. De fotograaf deed zijn beklag, dat ik het schooljaar zou ruïneren omdat mijn foto verschillend zou zijn van die van de anderen. Bijna iedereen uit mijn klas had me daarvoor uitgelachen. Natuurlijk kwetste het me, maar ik had geen spijt voor het standpunt dat ik ingenomen had.

Later nam ik deel aan een naaiwedstrijd. Ik won de derde plaats voor de gehele staat Kentucky. Een korte tijd hierna, belde Broeder Branham ons thuis op, en nadat hij met mijn vader gesproken had, vroeg hij om met mij te spreken. Hij zei: “Betty, herinner je je het standpunt dat je innam toen je foto werd genomen voor het schooljaar? De Heer beloonde je met je te laten winnen op de naaiwedstrijd. Hij ziet niets over het hoofd van wat je doet!”

Vandaag heb ik een naaizaak, en ik geloof dat de reden waarom ik nog steeds bezig ben is dat ik nog steeds de beloningen pluk van het standpunt dat ik vele jaren geleden genomen heb. De Heer is steeds getrouw.

Vele keren heeft Rebekah me uitgenodigd om met haar naar verschillende plaatsen doorheen de Verenigde Staten te reizen om in de conferenties te zijn. Ik zou nooit slapen toen we aan het rijden waren; ik wist dat het een eer was om met Broeder Branham in de auto te zitten. Ik kon altijd de Tegenwoordigheid van de Here voelen – dat vredevol, wonderlijk gevoel – iedere keer als ik bij hem was.

Op een dag toen Broeder Branham aan het rijden was, waren hij en ik aan het praten terwijl Billy Paul en Rebekah sliepen. Opeens was hij stil. Vanuit het venster kon ik alleen maar boerderijland zien, aan beide kanten. Hij nam een stukje papier en een pen uit zijn zak, legde het papiertje op de zetel naast hem, en begon te schrijven. Ik wist dat hij een visioen had en zei geen woord. Toen hij gestopt was met schrijven, wreef Broeder Branham met zijn handen over zijn gezicht. Dan zei hij tot me: “Ik zag gewoon iets.” Dit gebeurde in 30 seconden of minder, maar gedurende die tijd, waren zijn handen niet aan het stuur en hij keek niet naar de weg, maar de auto bewoog zich voort in een rechte lijn. De volgende zondagmorgen legde hij uit, dat wat hij gezien had hem de tekst gegeven had voor die ochtend boodschap welke was: ‘Meesterwerk’.

Ik reisde naar Californië met Broeder Branham, Billy Paul en Rebekah. Het waren die laatste samenkomsten in december 1965. Daar ontmoette ik James Phillips, de jongen ‘uit het Westen’ die ik zou trouwen. Ik bemerkte hem onmiddellijk als hij bij het banket kwam waar we waren. Het was omdat hij een Bijbel bij zich had, en de meeste tieners die ik kende waren wild en droegen geen Bijbels met zich mee! We werden voorgesteld, en Rebekah, die naast me zat, bleef me tegen mijn knie stoten en naar me lachen. (ik denk dat ik rood werd) Na de dienst sprak ze met Broeder Branham en Broeder Billy Paul over hem, en ze begonnen me ook te plagen. Ik zei: “Ik weet niet waarom jullie mij allemaal plagen, want ik zal nooit meer terugkomen naar Californië tenzij Broeder Branham bij me is. Ik weet dat het niet zal zinken zolang hij hier is.” Broeder Branham zei: “Dank u, Betty!”

In plaats dat ik naar Californië ging, kwam James naar Arizona en wij trouwden in 1967. We verhuisden naar Indiana in 1969. Hij was vele jaren de zangleider van de Tabernakel in Jeffersonville, en hij staat nog steeds klaar om te helpen waar nodig.

Tijdens die Californië samenkomsten in 1965 gebeurde er nog iets. Het was op een avond na de dienst, als we naar onze motel kamers teruggekomen waren. Rebekah en ik hadden een kamer tussen de kamer van Broeder Branham en Billy Paul, en het was laat toen we een telefoontje kregen. Omdat het mijn verjaardag was, dacht ik dat iemand van de samenkomst me voor de gek wilde houden, tot hij zei: ‘Meisjes, ik kom tot bij jullie…’ en hij zei slechte woorden. Ik hing op.

Rebekah en ik sleepten een kast voor de deur. De telefoon rinkelde opnieuw, en Rebekah antwoordde. Het was opnieuw diezelfde man en ze hing heel vlug op. We wilden Broeder Branham niet storen, en omdat het laat was dachten we dat Billy Paul al sliep, dus riepen we hem ook niet. We wisten niet dat die man Billy Paul opbelde, zich niet realiserend dat we samen op reis waren. Hij vroeg hem of hij misschien met hem ‘de meisjes van naast de deur’ wilde bezoeken, en dat hij zo via hem onze kamer kon betreden.

Billy Paul had hem gewaarschuwd van ons weg te blijven en had dan Broeder Branham opgebeld. Rebekah en ik wisten dit niet. Broeder Branham zat de ganse nacht op, met een geweer naast hem, onze deur bewakend. De volgende morgen aan het ontbijt zei hij dat de man die ons opgebeld had een zeer gevaarlijke persoon was, een plunderaar, en dat hij tijdens de nacht verschillende keren aan ons deur geweest was. En vervolgens zei hij ons, dat de man in het zelfde restaurant zat waar wij op dat moment zaten. Dat gaf ons beiden een schok!

ele keren vertelde Broeder Branham ons, dat nadat hij voor de zieken gebeden had, ’s nachts die duivels die uitgedreven waren naar hem zouden komen voor wat hij hen gedaan had. Hij was bij machte om de aanwezigheid van die boze geesten te voelen, en hun wijze van doen te begrijpen. Ik geloof dat dit hem toeliet te weten welk gevaar we liepen die nacht, en dat is waarom hij die stappen ondernam om ons te beschermen.

Iets dat me steeds bijgebleven is, is een gesprek wanneer Broeder Branham, Billy Paul, Rebekah en ikzelf na een avonddienst vertrokken. We stapten in de auto in en ik huilde. Ik zei: ‘Broeder Branham, ik kan niet begrijpen waarom niet iedereen dit kan zien.’ Billy Paul sprak hierop en zei: ‘Ik zal je daarop antwoorden, het zou niet Schriftuurlijk zijn als iedereen de Boodschap zou zien.’ Broeder Branham zei: “Billy, als je ooit iets juist zei in je leven, deze keer deed je het.”

Vele keren, als ik bij Broeder Branham was, zou hij het weten als ik een vraag had of als ik een probleem had dat me dwars zat. Hij gaf me een antwoord zelfs voor ik ooit een woord tot hem sprak. Andere keren, zou hij me aanmoedigen om hem te vragen wat er ook op mijn hart was. Hoe dikwijls heb ik, gedurende de laatste 40 jaar, het verlangen gehad dat me dat voorrecht nog eens werd aangeboden. Maar, tezelfdertijd weet ik dat elk antwoord dat we nodig hebben op de geluidsbanden ligt. Want deze zijn het Geestelijk Voedsel dat voor ons werd opgeslagen. We moeten gewoon bij de banden blijven.