De Samenkomst Boodschapsgemeente


Anna Jeanne Moore Price

Geboren: 6 oktober 1927
Woonplaats: Dallas, Texas
Tijdens de beginjaren van William Branhams bediening, speelde ze als lid van de groep van ‘De Stem van Genezing’ een vitale rol.

De eerst keer dat ik hem zag was op een zondagnamiddag. In de morgendienst in onze gemeente ‘Life Tabernacle’ werd zijn komst aangekondigd. Mijn vader, Jack Moore, die de voorganger was, hoorde van een evangelist in Arkansas, die in enkele kerken een ongewone opwekking had, zo regelde hij dat die onbekende prediker zou langskomen om in onze zondag avonddienst te prediken, toen hij door Schreveport voorbij ging op weg naar enkele samenkomsten in Texas.

Ik herinner me die zondagnamiddag nog. Ik was net uit mijn tienerjaren en was aan het bellen. Toen ik uit het voorraam keek, zag ik een kleine 1938 Ford coupé opdraaien op de oprit. Een eekhoornstaart fladderde aan de antenne, en ik veronderstelde dat het een jongen was die kwam om mijn broer te bezoeken, zo bleef ik verder praten. Ik keek toe hoe de bestuurder uitstapte en rond keek; ik vroeg me af of ik zou gaan zien wie hij was, en naar wie hij op zoek was. Maar opeens werd ik aangetrokken door de uitdrukking van zijn diepzittende ogen. Ze schenen een diepte van intense waarneming te hebben, en om welke reden dan ook, voelde ik tranen komen. Ik stond daar aan het raam en ik huilde.

Dat was in 1947, maar ik ben nooit die diepe starende blik vergeten, en het gevoel dat dit geen gewoon persoon was. Hoe waar. De maanden en jaren nadien zouden het bewijzen, wanneer in onze levens een onverwachte ommekeer kwam … net zoals dat gebeurde in de levens van duizenden anderen.

Na de dienst in onze volgepakte kerk, werd onze nieuwe vriend bij ons thuis uitgenodigd. De lekkere maaltijden die mijn moeder op de tafel plaatste smaakten misschien een beetje zoutig, toen de tranen van de gebogen hoofden neer drupten, terwijl hij bad. Ik was volledig veranderd na die eerste samenkomst met Broeder Branham. Ik was nog in opleiding en ging naar het business college, dus was ik niet veel vrij, maar een goede vriendin reisde naar zijn samenkomsten en belde me op of schreef me over wat ze ervaren had. Wij drukten beiden uit hoe onbelangrijk materiële dingen geworden waren. Zelfs winkelen voor nieuwe kleren had zijn uitdaging verloren.

Mijn vader was een genereus persoon, en toen hij William Branham ontmoette waren ze naar elkaar aangetrokken. Beiden waren vriendelijk gezind en hadden een nederige geest; geen van beiden zou ooit oproepen om geld of herkenning. Een puur motief – God te eren en mensen te helpen – was het ten toon spreiden van een onzelfzuchtig karakter bij beiden.

Terwijl anderen geprobeerd zouden hebben die uitzonderlijke gave te bewerken en te promoten, was mijn vader ervan overtuigd dat Broeder Branham duizenden zou bedienen in plaats van honderden, zo nam hij vrij van zijn zaak en van de kerk, om samenkomsten te organiseren in de publieke auditoriums en kerken doorheen het Zuiden en tot in het Noordwesten.

Overal gebeurden wonderen, genezingen, en bekeringen, en de nood aan een vorm van publicatie, om het woord van die beweging van God te verspreiden, werd vanzelfsprekend. Tijdens een samenkomst in Californië, vloog vader naar Oregon om opnieuw contact op te nemen met een vriend van vroeger, Gordon Lindsay, die niet alleen voorganger was maar een schrijver. Hij zou hem uitnodigen om naar de samenkomst te gaan. Na wat hij die avond zag, liet hij zijn vrouw, Freda, voor de kerk zorgen, en hij ging met de Branham groep mee om te helpen tijdens de samenkomsten, en ook om in Oregon en Canada campagnes te organiseren. Hij verzamelde ook de genezingsgetuigenissen, om deze te publiceren in het tijdschrift dat we zouden starten. Onze bedoeling om met het publiceren te beginnen was versterkt door de schrijfkunst van Broeder Lindsay, en in april 1948 stuurden we onze eerste publicatie van de ‘Stem van genezing’ uit vanuit Schreveport.

Die eerste uitgifte werd samengesteld op mijn moeders eettafel. Het voorblad vermeldde Gordon Lindsay als redacteur, mezelf als leidende redacteur, Jack Moore als co-redacteur, en William Branham als de uitgever. Het waren slechts acht bladzijden, maar het groeide al snel tot twaalf, en dan tot zestien. Het duurde niet lang tot we het kantoor uit onze garage verhuisden naar twee opslagruimtes die mijn vader daarvoor had leeggehaald. De $ 1( een dollar) inschrijvingen begon binnen te komen, tot er ongeveer 100.000 magazines per maand van de printer liepen. De aankondigingen van de campagnes van bijkomende predikers vulden wel anderhalve bladzijde. Mensen werden gered en genezen, en God werd ervoor verheerlijkt.

Ik was niet getraind in de journalistiek, slechts een kleine cursus, maar in veel opzichten was het werk gemakkelijk omdat we zoveel materiaal hadden. Mensen stuurden hun getuigenissen, en Broeder Lindsay sprak met de mensen in de samenkomsten, en nam foto’s van hen die genezen waren. Dan stuurde hij zijn rapporten door (geen fax of e-mail natuurlijk), en Freda en ik namen het daaruit. Ons werk was zeer bevredigend.

Broeder Branhams buitengewone bediening begon een vuur van geloof te verspreiden over het land. Voorgangers, evangelisten, leken en zakenmensen verlieten de samenkomsten met een aangewakkerd geloof. Ze waren getuige van die bovennatuurlijke manifestaties, die groepen van gelovigen en ongelovigen in beweging zetten. Mensen die niet veel dachten over geloof voor genezing hadden nu zelf genezingen en wonderen. Maar er was nooit iemand anders met hetzelfde type van gave als Broeder Branham. Het was uniek, boven alles wat we ooit gezien hadden.

Voor we begonnen te publiceren, in de vroegere campagnes, toen Broeder Branham in de gebedsrij persoonlijk de mensen bediende, speelde ik tijdens de samenkomsten dikwijls de piano. Hij hield ervan om ‘Geloven alleen’ zacht gespeeld in de achtergrond te horen. Vanaf de piano, zat ik dicht genoeg om dingen te zien, die het gehoor misschien niet kon zien, zoals bijvoorbeeld de verwonderde uitdrukking van een vrouw als hij haar dokter bij name noemde, en citeerde wat de dokter haar de vorige week had gezegd, of de shock van een man als hij zich bewust werd van die indringende ogen die de geheimen in zijn leven zag, en zijn opluchting dat Broeder Branham zijn hand op de microfoon hield, terwijl hij tot hem sprak en voor hem bad.

Vanaf mijn plaats aan de piano, zag ik ook enkele verwonderde gezichten. In Dallas, in de kerk waar Broeder W.V.Grant in die tijd voorganger was, waren mijn vader en ik op het podium, toen een dame door de gebedsrij kwam en Broeder Branham haar zei dat haar geloof zwak was. Hij wou de mensen aanmoedigen om te geloven, omdat de Boodschapper hem verteld had: ‘Als je de mensen kunt doen geloven, zal niets je gebed weerstaan.’ Broeder Branham zei haar: “Zuster, als ik uw naam noem, zult u dan geloven dat de Heer met mij is?” Dan zei hij: “Ja…ja, u bent mevrouw Stout.”(sterk-stevig-krachtig) Ze zei: “Nee, nee!” Hij zei: “Nee…uw naam is mevrouw Strong.” (sterk-stevig-krachtig) Ze zei: “Ja!” Dan verklaarde hij hoe zijn visioenen soms symbolisch waren, en hij een grote gespierde arm zag, en natuurlijk konden deze twee woorden hetzelfde uitdrukken.

Ik herinner me hoe opgelucht ik was, want ik had nog nooit iemand gezien die “Nee” zei in de gebedsrij. Ik was zo opgelucht, en het scheen alsof iedereen ook zo was. Dit toonde natuurlijk aan de aanwezige critici, dat hij de informatie niet kreeg via een oortje vanaf de andere kant van het gebouw waar iemand anders haar naam neergeschreven had. Dat gebeurde enkele keren in gelijkaardige bedieningen. Hij was dus zo vriendelijk, om de natuur van het visioen dat hij zag uit te leggen.

Vader Jack vertelde ons dat, overzee, hij soms de straat zei waar de persoon woonde om hem te helpen te geloven. Als het in een vreemde taal was en Broeder Branham niet wist hoe het uit te spreken, dan spelde hij de letters. Het was nooit verkeerd.

Er wordt me dikwijls gevraagd welke het meest buitengewone wonder is dat ik me kan herinneren, en ik verwijs altijd naar Congresman Upshaw. Ik had persoonlijk nooit gehoord van Doctor William Upshaw, hoewel hij goed bekend was als een Zuid Baptisten prediker, vice-president van de Zuid Baptisten vereniging, en de ‘kreupele congresman’ van Georgia. Door een ongeval in zijn jeugd werd hij aan zijn rugwervels verwond en daardoor was hij voor het leven gebonden aan krukken en rolstoel.

In 1951, op 85 jarige leeftijd, gingen hij en zijn vrouw naar de campagne van Broeder Branham in de kerk van voorganger Leroy Kopp in Los Angeles, en hij werd op wonderbare wijze genezen. Van dat ogenblik af reisde dat oud koppel doorheen Europa en de U.S. om te getuigen van dit wonder. Zelfs in het Congres, stond hij voor de mensen, God prijzend voor het wonder waar niemand kon naast kijken, waar het hem vroeger alleen maar mogelijk was voor twee korte periodes met hen samen te zitten. Ik vermeld dit omdat de Congresman ook een speciale rol speelde in mijn leven!

Toen ik 24 was, was ik gedurende vier jaar de assistent redacteur van de ‘Stem van Genezing’. Ik had Don Price ontmoet, een wonderbare jonge evangelist. Bij de start van het tijdschrift, zei hij me dat de eerste keer dat hij me zag de Heer hem vertelde: “Daar is ze.” Maar, ik was daar niet mee akkoord. Ik voelde me zo betrokken in die belangrijke bediening, en zo was er niet veel tijd om aan persoonlijke dingen te denken. Maar hij wist dat de Heer hem verteld had dat ik de Zijne was, dus wachtte hij meer dan drie jaar.

Op een nacht droomde ik dat ik in een samenkomst was waar Broeder Branham zich naar mij keerde en enkele woorden tot mij sprak. Vreemd, ik kon me nooit exact herinneren wat hij zei, maar het effect van zijn verklaring deed me Canada bellen, waar Don in die tijd predikte, en ik zei hem: “Ja, ik zal met je trouwen.” Uiteindelijk was dit een punt waarin Broeder Branham mijn leven beïnvloedde.

Don had een negen maanden planning om in Europa te prediken, daardoor besloten we te trouwen tijdens de Wereld Pinkster Conferentie in Londen waar we beiden van plan waren naar toe te gaan. Maar, toen ik daar in juni 1952 met mijn ouders aankwam, kwam Don bij ons met het nieuws dat hij de huwelijkstoelating had, maar dat de wet eiste dat we drie weken moesten wachten om te kunnen trouwen. We waren daar slechts voor twee weken.

Aan Don werd gezegd dat hij de aartsbisschop van Canterbury moest inschakelen voor een speciale toelating, wat hij ook deed, maar onze speciale toelating kon slechts in de staatskerk gebruikt worden. We kenden niemand in de staatskerk van Engeland, maar een van de klerken stelde voor met de Rector van Saint Margaret’s Kapel, die gehuisvest is in Londen’s historische Westminster Abbey, te praten. Don vertelde onze situatie aan hem, en Rector Wilcox, die tijdens de oorlog aalmoezenier was geweest, wenste ‘iets goeds te doen voor de Amerikanen’ en hij gaf ons die verlangde gunst.

Don en ik trouwden in Westminster Abbey. Mijn vader was de ‘bruidsjonker’ van de bruidegom en mijn moeder was mijn enige ‘begeleidster’. Broeder Upshaw bood zich aan als vrijwilliger om mij naar het altaar te brengen en de bruid aan de bruidegom voor te stellen. Die dag werd daar een wonder tentoongespreid, als die lieve oude gentleman, me rechtop en gestadig, zijn arm aanbood en me door het gangpad begeleidde. Dan verraste hij ons, en ook de genodigden en de toehoorders, als hij zich omdraaide en ons vroeg hem te verontschuldigen, want hij wou naar de openbare marktplaats gaan om zijn getuigenis te geven! Tot zijn 89ste bleef hij reizen en getuigen over zijn wonder, aanmoedigend tot geloof in Gods beloften en ook in Broeder Branhams ongewone genezingsbediening.

In 1964 vertelde Broeder Branham mijn vader en mij, in een privé gesprek, dat hij een visioen gehad heeft over zichzelf en mijn echtgenoot, ze waren samen predikend hoog boven de aarde. In oktober 1966, waren beiden naar Huis geroepen.

Het ‘Stem van Genezing’ tijdschrift werd sinds april 1948 elke maand uitgegeven, en in 1970 werd de naam op de voorpagina veranderd in ‘Christus voor de Naties’. Tegen die tijd, was Broeder Branhams zichtbare, aardse bediening, beëindigd en Broeder Gordon Lindsay voelde zich geleid om een bijbelschool te starten, om te voorzien in een training voor de taak om de Evangelie Waarheid te verspreiden over de ganse wereld. Ongeveer 30.000 studenten volgden lessen in het ‘Christus voor de Naties Instituut’. Ik ben werkelijk blij dat mijn leven van het begin, in 1948, betrokken was bij dit grote werk. Ik kon mijn studies niet afmaken, maar ik heb zeker enkele levensveranderende ervaringen beleefd die zeker elk diploma kan evenaren.

Gods muzikanten sterven nooit,
We ‘spelen’ slechts zonder een vaarwel,
Om de ruimte te vullen met muziek in een Hemelse hogere toonaard
En tenslotte, op het einde, ons Doctoraat te behalen!

Aan God zij alle Eer!